Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan. De grond voor ontneming van voordeel in art. 36e lid 3 Sr is dat
aannemelijkmoet zijn dat het bewezen verklaarde misdrijf
of andere strafbare feitenop enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De
andere strafbare feitenhoeven niet door de betrokkene zelf te zijn begaan. Oftewel, de
aannemelijkheidin art. 36e lid 3 Sr heeft voor zover het gaat over
andere strafbare feitenbetrekking op de vraag of de veroordeelde hieruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en niet of de veroordeelde deze andere misdrijven heeft begaan.
zelfzijn begaan. Nu het hof de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op art. 36e lid 3 Sr, heeft het juist en niet onbegrijpelijk overwogen dat het voor ontneming van voordeel op grond van art. 36e lid 3 Sr
nietis vereist – kort gezegd – dat komt vast te staan dat sprake is van andere misdrijven die door de betrokkene zelf zijn begaan.
voordeel uit witwassen’overwogen dat de veroordeelde niet heeft aangevoerd of doen aanvoeren, en ook voor het overige niet is gebleken dan wel aannemelijk is geworden dat de veroordeelde op 7 juni 2013 het bij hem in contanten aangetroffen bedrag van € 180.000,- geheel of gedeeltelijk voor (een) ander(en) hield, en dat het ervoor moet worden gehouden dat de veroordeelde genoemd bedrag op de genoemde datum (uitsluitend) voor zichzelf hield.