Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
aanvullend cassatiemiddelhoudt in dat uit het inmiddels door de vader ontvangen afschrift van het proces-verbaal blijkt dat de combinatie van raadsheren die de bestreden beschikking heeft gegeven niet dezelfde is als die, welke de mondelinge behandeling op 6 februari 2020 heeft bijgewoond. Mocht blijken dat het proces-verbaal op dit punt een feitelijke onjuistheid bevat, dan handhaaft de vader zijn klacht dat de raadsheren die de beschikking van 20 februari 2020 hebben gegeven in ieder geval niet
allemondelinge behandelingen in dit hoger beroep hebben bijgewoond.
allemondelinge behandelingen in dit hoger beroep hebben bijgewoond) merk ik het volgende op. De beschikking van 20 februari 2020 vermeldt onder 2.2 – in cassatie onbestreden − dat eerder (namelijk op 30 januari 2020) een mondelinge behandeling had plaatsgevonden. Volgens het proces-verbaal van die eerste mondelinge behandeling (gedateerd 29 januari 2020) heeft het hof toen besloten de zaak niet inhoudelijk te behandelen en aan te houden tot 6 februari 2020. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 februari 2020 is vermeld dat de voorzitter aan het begin van de zitting aan de daar aanwezigen heeft medegedeeld dat de gezagszaak – deze zaak – geheel opnieuw zal worden behandeld door het hof. [6] Van een materiële ‘voortzetting’ in een andere samenstelling van de op 29 of 30 januari 2020 aangevangen mondelinge behandeling is dan ook geen sprake. De beslissing houdt in dat het hof uitsluitend acht slaat op de stukken en hetgeen besproken is ter zitting van 6 februari 2020. Tijdens die zitting hebben de vader en zijn advocaat de gelegenheid gehad – en ook gebruikt − om hun standpunten toe te lichten ten overstaan van de raadsheren die de beslissing nemen en om te reageren op hetgeen daartegen is ingebracht.
kanworden bevolen. Van verknochtheid of connexiteit van zaken is sprake indien de beslissing in de ene procedure van invloed is op die in de andere procedure onvermijdelijk en rechtstreeks van invloed is of indien er zodanige samenhang bestaat tussen de zaken dat die – om redenen van doelmatigheid – een gezamenlijke behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt. De rechter kan de zaken ambtshalve voegen of op verzoek van verzoeker of één van de belanghebbende. Art. 362 Rv Pro bepaalt dat art. 285 Rv Pro in hoger beroep niet van toepassing is.