Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelis gericht tegen de afwijzing van enkele verzoeken [betrokkene 1] als getuige te horen. Het middel bevat twee deelklachten, die ieder betrekking hebben op andere afwijzende beslissingen.
Het hof neemt over en herhaalt hetgeen het hof op 28 februari 2019 heeft overwogen ten aanzien van een gelijkluidend verzoek. Het hof heeft bezien wat de aanvullende argumenten zijn ten opzichte van het vorige verzoek. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsman samengevat wat de medeverdachte [medeverdachte 1] in zijn eigen zaak ten overstaan van het hof heeft verklaard. Evenals het vorige verzoek van de verdediging [betrokkene 1] te horen als getuige, gaat het thans wederom met name om de intentie en/of de wetenschap van de verdachte met betrekking tot de aan de verdachte ten laste gelegde feiten en om wat [betrokkene 1] daarover zou kunnen verklaren. Het hof overweegt dat het deel van de onderbouwing dat ziet op de vraag wat [betrokkene 1] daarover "kan verklaren" speculatie is, hetgeen mede in de weg staat aan een toewijzing van het verzoek. De onderbouwing is voor het overige een herhaling van het aangevoerde bij het verzoek van 28 februari 2019, nu het -als overwogen- ook met betrekking tot het vorige verzoek ging om de intentie en/of de wetenschap van de verdachte. Daar komt nu bij dat de verklaring van [betrokkene 1] voorts onder meer zou moeten zien op de wetenschap van de verdachte van de omvang, de organisatie en bedoelingen van [A] BV, op de stelling dat de verdachte daar enkel was voor de handel en voorts het standpunt zou kunnen ondersteunen dat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Ook in deze omstandigheden ziet het hof -bij gebrek aan onderbouwing en in het licht van meergenoemde verklaring van de verdachte zelf- geen noodzaak [betrokkene 1] te horen. Het hof betrekt daarbij dat [betrokkene 1] op 26 maart 2015 door de FIOD als getuige is gehoord en toen heeft verklaard dat de naam [A] BV hem niet bekend voorkomt. Voorts heeft hij verklaard enkel een set tuinmeubelen van [medeverdachte 1] te hebben gekocht en voor het overige geen zaken met hem te hebben gedaan. Ook hierin vindt het hof geen aanknopingspunten het verzochte verhoor toe te staan. Het hof acht hetgeen de verdediging ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd gelet op het vorenstaande en in het licht van de voorhanden processtukken dan ook onvoldoende om de noodzaak van het verzochte aan te nemen, terwijl het hof ook overigens de noodzaak niet is gebleken." [7]
tweede middelklaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaring die [medeverdachte 1] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris niet gebezigd kan worden voor het bewijs. Het
derde middelklaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6], afgelegd bij de FIOD, niet gebezigd kunnen worden voor het bewijs. Het
vierde middelklaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de herkenningen van de verdachte door de getuigen [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [betrokkene 9] niet gebezigd kunnen worden voor het bewijs.
Bewiisoverweging