Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
geen(cursief door mij, AG TS) uitzondering [vormde] op de verzendplicht. Het was dan ook vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat uit de omstandigheid dat in het kader van de betekening van de appeldagvaarding bekend was geworden dat de verdachte nadien op een GBA-adres bleek te zijn ingeschreven, niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte het overeenkomstig art. 588a, eerste lid, (oud) Sv opgegeven adres niet wenste te handhaven als adres waar hij een afschrift van de appeldagvaarding wenste te ontvangen.”