Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1.1klaagt het middel dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting nu het hof in rov. 2.5-2.9 niet de inhoud van de veroordeling door dwangsomrechter van 8 mei 2017 heeft uitgelegd en vastgesteld. De klacht betoogt dat het gerecht in zijn vonnis van 9 november 2018 het dwangsomvonnis van 8 mei 2017 heeft uitgelegd, maar dat het hof heeft nagelaten een dergelijke uitleg aan het dwangsomvonnis te geven, terwijl het dit wel had moeten doen. Voorts is het oordeel van het hof tegen die achtergrond onbegrijpelijk.
.Tegen die achtergrond moet het hof de relevante handelingen van Advent toetsen aan de inhoud van deze dwangsomveroordeling, zoals die door uitleg moet worden vastgesteld. [4]
onderdelen 4.1, 4.2 en 4.3betogen kort samengevat dat het hof ten aanzien van deze voorwaardelijke vordering ten onrechte ervan uitgaat dat deze in eerste aanleg is afgewezen en tegen die afwijzing in incidenteel appel door middel van een grief had moeten worden opgekomen. Het middel betoogt dat deze overwegingen uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk zijn. Geklaagd wordt dat het hof eraan voorbijgaat dat het gerecht deze voorwaardelijke vordering niet heeft afgewezen, maar – zoals blijkt uit rov. 4.13 van het vonnis van het gerecht van 9 november 2018 – slechts buiten beschouwing heeft gelaten nu niet aan de voorwaarde van de vordering is voldaan. Deze vordering is namelijk ingesteld onder de voorwaarde dat het gerecht Advent volgt in haar standpunt dat de dwangsom slechts wordt verbeurd over de dagen dat Advent [verzoeker] niet toelaat op de vaste en vooraf ingeroosterde uren in de operatiekamer. Hoewel uit het dictum van het vonnis van 9 november 2018 blijkt dat de vorderingen in reconventie zijn afgewezen, moet dit dictum worden gelezen tegen de achtergrond van hetgeen het gerecht heeft uiteengezet in rov. 4.13 over het buiten beschouwing laten van de voorwaardelijke vordering. De
onderdelen 4.4, 4.5 en 4.6betogen, kort gezegd, dat de overweging van het hof dat het geen aanleiding ziet om ambtshalve anders te oordelen, onbegrijpelijk is en dat het hof in het licht van de devolutieve werking van het appel alsnog had moeten ingaan op de voorwaardelijke vordering.
onderdeel 5.1is het oordeel van het hof onbegrijpelijk dat het incidenteel appel is gericht tegen de afwijzing van het door [verzoeker] gevorderde bevel aan Advent om hem minimaal 28 (vaste) operatie-uren per maand toe te kennen. In het incidenteel appel heeft [verzoeker] vier grieven gericht tegen het oordeel van het gerecht in rov. 4.8 van het vonnis van 9 november 2018. Deze grieven hebben betrekking op de overweging dat (i) de toelatingsovereenkomst kennelijk in hoofdzaak bestaat uit het uitvoeren van operaties, (ii) in beginsel alleen op doordeweekse dagen wordt geopereerd en niet ook in het weekend, (iii) een redelijke uitleg van het dictum van het vonnis van 8 mei 2017 meebrengt dat een dwangsom alleen kan worden verbeurd over doordeweekse dagen en (iv) de omstandigheid dat in spoedeisende gevallen ook wel eens in het weekend wordt geopereerd hieraan niet afdoet. Met zijn vijfde grief is [verzoeker] ingegaan tegen het oordeel van het gerecht in rov. 4.16 van het vonnis van 9 november 2018 en de daarin gelegen afwijzing van de vordering tot toekenning van extra operatie-uren. Dat het hof in rov. 2.14 slechts ingaat op deze laatste grief is volgens het onderdeel onbegrijpelijk.
Onderdeel 5.2betoogt dat het hof in dit kader diverse essentiële stellingen heeft gepasseerd.