“De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid, gesteld zijn bezwaren tegen, het vonnis op te geven.
De verdachte deelt daarop mede dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in het verzet.
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U houdt mij voor dat in mijn brief van 30 maart 2018 bij het instellen van verzet staat dat ik door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van twee dagen na dagtekening bezwaar kon maken.
Ja, dat klopt. Toen ik de strafbeschikking voor het eerst zag, dacht ik dat ik binnen 2 dagen verzet moest instellen. Ik weet niet wanneer ik de strafbeschikking heb ontvangen. Deze is per gewone post verzonden en niet aangetekend. Ik heb na ontvangst binnen 3 of 4 dagen verzet aangetekend.
U houdt mij voor dat de strafbeschikking eerder is verzonden en is gedateerd 13 februari 2018.
De strafbeschikking is niet aangetekend verstuurd en is waarschijnlijk lang onderweg geweest. Ik heb het veel later binnen gekregen dan had gemoeten.
U vraagt mij of het dan bij Post.nl is verdwenen.
Ja, dat klopt. Ik verbleef in die periode bij mijn vriendin. Mijn ouders belden mij als er post voor mij was.
Op vragen van de oudste raadsheer antwoord ik:
Mijn vader belde mij dat er post voor mij was van het Openbaar Ministerie of de rechtbank. Ik heb toen tegen hem gezegd dat hij die enveloppe open mocht maken. Nadat mijn vader dat had gedaan, heeft hij de strafbeschikking aan mij voorgelezen. Het bleek dus een brief te zijn van het Centraal Justitieel Incassobureau.
U houdt mij voor dat in de strafbeschikking staat dat het bedrag van € 1.000,-- uiterlijk vóór 29 maart 2018 moet zijn bij geschreven op de rekening van het CJIB.
Ik had uitstel van betaling gevraagd.
U houdt mij voor dat mijn bezwaarschrift is gedateerd 30 maart 2018.
Mijn vader had mij opgebeld en ik dacht dat ik binnen twee dagen moest reageren. Ik weet niet hoe ik daarbij kom. Mogelijk was er sprake van miscommunicatie tussen ons.
Op vragen van de advocaat-generaal antwoord ik:
U vraagt mij hoe de enveloppe van de strafbeschikking eruit zag.
Ik heb de enveloppe zelf niet opengemaakt, maar ik heb later de brief wel met de enveloppe gekregen.
Ik kan mij niet herinneren dat ik tegen mijn vader heb gezegd, toen hij de strafbeschikking via de telefoon aan mij voor las, dat de strafbeschikking is gedateerd 13 februari 2018 en dat we die nu pas hebben gekregen.
U houdt mij voor dat je het daar toch direct over zou hebben, want toen mijn vader mij belde, was de termijn van twee weken al lang voorbij.
Ik weet niet meer of ik het met mijn vader daarover heb gehad.
De advocaat-generaal deelt mede dat in de bij gevoegde toelichting, bij de strafbeschikking onder meer staat vermeld dat het mogelijk is dat de aanschrijving eerder is ontvangen, op een datum die voor de dagtekening ligt. De reden daarvan is dat rekening wordt gehouden met de tijd die verwerking en verzending van de aanschrijving in beslag nemen.
De advocaat-generaal stelt vast dat de strafbeschikking op de juiste wijze aan het destijds geldende BRP-adres van de verdacht is verzonden.
De advocaat-generaal voert hierna het woord en vordert dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. De advocaat-generaal legt de op schrift gestelde vordering aan het gerechtshof over.
De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt mede:
Het is niet vast te stellen wanneer mijn cliënt de strafbeschikking heeft ontvangen, nu er geen akte van uitreiking is en er in het dossier verder geen aanknopingspunten zijn waaruit dit blijkt. Mijn cliënt dacht dat hij binnen twee dagen verzet aan moest tekenen, terwijl de termijn twee weken is.
Ik verzoek het hof om mijn cliënt ontvankelijk te verklaren in het verzet, en de zaak terug te wijzen naar de politierechter.”