Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, door te miskennen dat geen machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend die ertoe strekt het kind (al dan niet tijdelijk) buiten Nederland te laten verblijven. Uit art. 1:254 BW Pro volgt dat de Jeugdwet van belang is bij uithuisplaatsing (en ondertoezichtstelling), reeds omdat in dat artikel wordt bepaald dat op dit punt de ‘gecertificeerde instelling’ als bedoeld in art. 1.1 van de Jeugdwet bevoegd is. Art. 1.3 lid 1 van de Jeugdwet bepaalt dat deze wet uitsluitend van toepassing is op in Nederland verblijvende kinderen. Volgens het onderdeel kan een uithuisplaatsing er niet in resulteren dat het kind buiten Nederland komt te verblijven, nu het kind daarmee geen aanspraak meer zou toekomen op jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. Verder klaagt het onderdeel dat een erkenning op grond van de Verordening Brussel II-bis [2] dit ‘territorialiteitsbeginsel’ niet terzijde kan stellen.
onderdeel 1falen. Het is op zichzelf juist dat uitsluitend in Nederland verblijvende jeugdigen aanspraak kunnen maken op jeugdhulp op grond van de Jeugdwet, maar dat betekent niet dat een kortdurend verblijf in het buitenland hun deze aanspraak ontneemt. Bepalend is of de jeugdige zijn woonplaats als bedoeld in de Jeugdwet in een Nederlandse gemeente heeft.