ECLI:NL:HR:2020:2102

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2020
Publicatiedatum
17 december 2020
Zaaknummer
20/00811
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 1.1 JeugdwetVerordening Brussel II-bis
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake uithuisplaatsing en woonplaats minderjarige

In deze zaak heeft de moeder cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind en het tijdelijke verblijf van het kind bij de vader die in België woont. De zaak betreft een geschil over de woonplaats van de minderjarige en de toepassing van het Nederlandse jeugdrecht in combinatie met de Verordening Brussel II-bis.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld aan de hand van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De klachten van de moeder tegen de beschikking van het hof zijn onderzocht, maar de Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de beschikking. De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de klachten in te gaan, omdat deze geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht oproepen.

Het cassatieberoep wordt daarom verworpen. De uitspraak bevestigt de beslissing van het hof en laat de uithuisplaatsing en het verblijf van de minderjarige bij de in België wonende vader in stand. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 18 december 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/00811
Datum18 december 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaat: K. Aantjes,
tegen
1. [de vader],
wonende te [woonplaats], België,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de vader,
advocaat: N.C. van Steijn.
2. STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak 488034 van de rechtbank Midden-Nederland van 11 september 2019;
de beschikking in de zaak 200.265.981 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2019.
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
18 december 2020.