Conclusie
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
man 1noemen.
,geboren [geboortedatum] 1987.
,geboren op [geboortedatum] 1987.
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid (ik begrijp tweede volzin, AG), Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ertoe strekkende dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van diefstal.
tweede middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van het beroep op noodweer met betrekking tot feit 2.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
eenieder– niet alleen ambtenaren van politie of justitie – bevoegd is een verdachte aan te houden wanneer een strafbaar feit op heterdaad wordt ontdekt. Volgens het eerste lid van art. 128 Sv Pro heeft ‘ontdekking op heeter daad’ plaats wanneer het strafbare feit wordt ontdekt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het is begaan. In het tweede lid is daaraan toegevoegd dat ontdekking op heterdaad niet langer aanwezig wordt geacht dan kort na de ontdekking van het strafbare feit. De Memorie van Toelichting spreekt in dat verband van de verse toestand waarin het feit wordt ontdekt. [4]
enig strafbaar feitzoals bedoeld in art. 27, eerste lid, Sv. Uit de ontdekking of uit andere omstandigheden moet een redelijk vermoeden van schuld zijn ontstaan dat de aan te houden verdachte het feit heeft gepleegd. [5] De rechter moet nagaan of, gemeten naar wat toen bekend was, de aanhouder tot de conclusie kon komen dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, aldus Corstens. [6] Niet behoeft vast te staan om welk strafbaar feit het naar de wettelijke kwalificatie precies gaat. Het gaat om een redelijk vermoeden aan
enigstrafbaar feit. [7]
NJ2019/124 heeft overwogen:
Stb. 2017/82) heeft onder meer tot gevolg dat met ingang van die datum de rechter niet langer de mogelijkheid heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan de rechter het dwangmiddel van de gijzeling opleggen, die net als de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan duren.