Uitspraak
1.Geding in cassatie
[betrokkene 1] en heeft hij zich uiteindelijk bevrijd uit diens wurggreep.
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd op 29 mei 2015 betrapt op een poging tot diefstal met geweld in de woning van de aangevers te Woubrugge. Hij was binnengedrongen in de slaapkamer en gebruikte geweld om te vluchten. De bewoners hielden hem aan met gebruik van dwang en geweld, waaronder het dichtduwen van een deur waarbij zijn voet klem kwam te zitten, stevig vastpakken en tegen een auto aanduwen. De verdachte wist zich los te maken en reed weg.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de bewoners gerechtigd waren tot deze 'burgeraanhouding' op grond van art. 53 Sv Pro en dat het gebruikte geweld proportioneel was. De verdachte voerde een beroep op noodweer aan, stellende dat het geweld disproportioneel was en dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding. Dit werd door het hof verworpen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat het geweld niet disproportioneel was en geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding opleverde, zodat het beroep op noodweer faalt. De Hoge Raad benadrukt dat bij burgeraanhouding het gebruik van geweld moet voldoen aan proportionaliteit en subsidiariteit, en dat het hof dit juist heeft toegepast.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met tien maanden. De rest van het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep op noodweer wordt verworpen en de gevangenisstraf wordt verminderd tot negen maanden en twee weken wegens termijnoverschrijding.