Voetnoten
1.Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
2.Rechtbank Noord-Nederland.
3.Rechtbank Noord-Nederland 24 april 2019, nr. 18/3347,
4.Hof Arnhem-Leeuwarden.
5.Hof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2020, nr. 19/00739,
6.De Staatssecretaris van Financiën.
7.Wet inkomstenbelasting 2001.
8.Hof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2020, nr. 19/00739,
9.Algemene wet inzake rijksbelastingen.
10.Invorderingswet 1990.
11.Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2019, nr. 18/00960,
12.Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, nr. 18/00836,
13.Conclusie IJzerman 20 februari 2020, nr. 19/03791,
14.Wet openbaarheid van bestuur.
15.Reactie op Wob-verzoek inzake belastingrente en invorderingsrente, 1 maart 2017, kenmerk 2017-0000010761,
16.Reactie op Wob-verzoek inzake belasting- invorderings- en heffingsrente, 8 december 2017,
17.Brief van de staatssecretaris van Financiën 7 juni 2017, nr. 2017-0000102089,
18.Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2017, nr. 16/00520,
19.HR 25 mei 2018, nr. 17/03325,
20.Wet op de rechterlijke organisatie.
21.HR 25 mei 2018, nr. 17/03325,
22.Conclusie IJzerman 20 februari 2020, nr. 19/03791,
23.Hof Den Haag 14 november 2018, nr. BK-18/00644,
24.Algemene wet bestuursrecht.
25.Toelichting op intrekking beroep in cassatie van 4 februari 2019,
26.Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, nr. 18/00836,
27.Dit staat los van het feit dat de betaalmomenten over en weer ongeveer een maand verschilden, hetgeen in termen van rente een te verwaarlozen bedrag impliceert.
28.E.P. Hageman,
29.E.J.W. Heithuis,
30.Brief van de staatssecretaris van Financiën 7 juni 2017, nr. 2017-0000102089,
31.Brief Staatssecretaris van Financiën van 5 juli 2018, nr. 2018-0000115754,
33.Brief Staatssecretaris van Financiën van 5 juli 2018, nr. 2018-0000115754,
34.R.E.C.M. Niessen,