Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelkomt met twee klachten op tegen de bewijsvoering van het onder 1 bewezenverklaarde feit. De eerste klacht houdt in dat het hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel “misbruik” in art. 250a (oud) Sr en heeft miskend dat in die bepaling het “oogmerk van uitbuiting” als impliciet bestanddeel besloten ligt. De tweede klacht ziet op de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde en houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte “zich bewust is geweest van de relevante omstandigheden van de aangeefster waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien […] en evenmin dat hij het oogmerk had op uitbuiting van aangeefster”. Aangevoerd wordt dat het feit dat de verdachte en [aangeefster] gedurende meer dan twintig jaren een stabiele relatie hebben gehad, erop wijst dat er geen “uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht” was. Bovendien heeft de verdachte het “geld beheerd dat de aangeefster als kostwinner verdiende met haar werk als prostituee, teneinde haar te helpen om haar schulden weg te werken.” Beide argumenten waarmee het middel wordt onderbouwd, plaats ik in het kader van de rechtsklacht omdat de relatie en de financiële verhoudingen uit de bewijsvoering naar voren komen zodat de bewijsvoering in zoverre niet tekort kan schieten.
sub 6, een vrouw genaamd [aangeefster] , door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen
[…]
6° degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen.”
[…]
Voorts wordt door deze objectivering van het bestanddeel misbruik justitieel optreden in het geldend recht mogelijk gemaakt tegen personen die, gebruik makend van een uitbuitingssituatie, iemand in de prostitutie brengen dan wel gebruikmakend van een uitbuitingssituatie enige handeling ondernemen met het oogmerk iemand in de prostitutie te brengen. Onder de toepassing van het nu voorgestelde artikel 250ter Sr. zullen bovendien ook diegenen vallen die gebruik makend van een uitbuitingssituatie enige handeling ondernemen waarvan zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat de ander daardoor in de prostitutie belandt.” [7]
Misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht kan veelal uit de omstandigheden worden afgeleid.” [8]
tweede middelkomt met twee klachten op tegen de bewijsvoering van het onder 2 bewezenverklaarde feit. De eerste (rechts)klacht houdt in dat het hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel “misbruik” in art. 273a (oud) Sr en art. 273f Sr en dat het hof heeft miskend “dat in artikel 273a Sr (oud) en in artikel 273f Sr het ‘oogmerk van uitbuiting’ als impliciet delictsbestanddeel besloten lag/ligt”. Aangevoerd wordt dat het bewezenverklaarde misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting doordat het hof onweersproken heeft gelaten dat de verdachte het “geld beheerde dat de aangeefster als kostwinner verdiende met haar werk als prostituee, teneinde haar te helpen om haar schulden weg te werken.” Als ik het goed begrijp, komt dit erop neer dat de verdachte [aangeefster] niet heeft uitgebuit maar dat hij haar juist heeft geholpen. De tweede klacht houdt in dat de motivering van beide bestanddelen tekort schiet waardoor de bewezenverklaring onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat specifieke bewijsmiddelen ontbreken voor de uitbuitingssituatie tussen 1 januari 2005 en 31 december 2006 terwijl de bewijsvoering overwegend zou berusten op verklaringen van [aangeefster] .
2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.”
derde middelricht zich tegen de bewezenverklaring van feit 3 waarvan aangever [aangever] het slachtoffer is geworden. Allereerst wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte de aangever door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en door misbruik te maken van diens kwetsbare positie heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid, en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van de aangever, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uitleg en reikwijdte van de delictsbestanddelen van artikel 273a (oud) Sr, artikel 273f (oud) Sr en artikel 273f Sr. Met een beroep op wat de raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren heeft gebracht, wordt in cassatie aangevoerd dat de verdachte [aangever] heeft geholpen nadat [aangever] door alcoholmisbruik en schulden ernstig in de problemen was geraakt. De verdachte heeft [aangever] onderdak gegeven en hem af en toe (en later met een wat grotere regelmaat) klusjes laten doen, waardoor [aangever] weer meer zelfvertrouwen kreeg en zijn verleden (met alcoholmisbruik en schulden) achter zich kon laten. Juist door te werken, zag [aangever] kans de draad van zijn bestaan weer op te pakken. Verder wordt geklaagd dat uit de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, omdat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte “de intentie had om de aangever uit te buiten en dat [de verdachte] zich bewust was van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op de aangever of van diens kwetsbare positie, en dat hij met die wetenschap misbruik heeft gemaakt van de aangever door hem te laten werken en uit die ‘uitbuiting’ opzettelijk voordeel te trekken.”
- met gebruikmaking van zijn psychische overwicht op die [aangever] een situatie doen ontstaan waarbij die [aangever] zich niet aan de hem opgedragen werkzaamheden kon onttrekken en
[…]
[…]
[…]
6°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander”.
vierde middelkomt op tegen de zogenoemde promis-motiveringswijze die onvoldoende precies zou zijn omdat het hof verwijst naar in totaal meer dan 250 pagina’s processen-verbaal. Het gaat er vooral om “dat de bewijsmotivering een zoekplaatje is die het vrijwel onmogelijk maakt het bewijsoordeel te toetsen.”