Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
natrekking en opschorting
grief 4heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat er geen andere scenario’s zijn gebleken waaruit kan worden afgeleid dat ISB niet bevrijdend kan betalen aan [verweerders] . Het hof begrijpt uit de toelichting op de grief dat ISB meent dat zij recht had op opschorting van haar betalingsverplichtingen, omdat onduidelijk was (en is) of [verweerders] recht had op de huur in verband met natrekking.
medewerkingaan contractsoverneming een akte vereist zou zijn. Zie de vierde volzin van rechtsoverweging 9.14, in verband met de derde volzin. Tegen die lezing richt zich geen klacht. Uitgaande van bedoelde lezing behoefde het hof uitsluitend in te gaan op de vorm waaraan medewerking aan een contractsoverneming onderworpen is. Daarom moet in de bedoelde zinsnede in het slot van rechtsoverweging 9.14 de nadruk vallen op het laatste deel daarvan, volgens welke de medewerking door ISB vormvrij is. Naar ik begrijp komt ISB tegen dit laatste niet op. Zou dat anders zijn, dan berust de klacht op een onjuiste rechtsopvatting, omdat medewerking aan contractsoverneming inderdaad in iedere vorm kan geschieden en ook in een of meer gedragingen besloten kan liggen (art. 3:37 lid 1 BW Pro). [7] Kortom, het bestreden oordeel houdt, anders dan de steller van het middel daarin leest, niet in dat ook de contractsoverneming zelf (de overeenstemming tussen [B] en [verweerders] ) vormvrij is.
vormloosovereenstemming over contractsoverneming bestond of althans in het midden heeft gelaten of die overeenstemming in een akte was neergelegd.
in verband met natrekking. [11] Op het standpunt dat VO door natrekking verhuurder is geworden, is ISB in de loop van het geding bij het hof teruggekomen. In de memorie van grieven lees ik niet – ISB verwijst in de procesinleiding niet naar vindplaatsen [12] – dat ISB zich op het standpunt heeft gesteld dat zij mocht opschorten, omdat het verhuurderschap mogelijk was achtergebleven bij [B] . De door de klacht aangeduide stellingen zien deels op het aanvankelijke standpunt van ISB dat VO door natrekking verhuurder is geworden (stellingen sub c, d en f). Voor het overige geldt het volgende. ISB licht ten onrechte niet toe waarom de omstandigheid dat de inleidende dagvaarding dateert van 23 oktober 2015, terwijl de in de procedure aan de orde zijde periode loopt tot 1 september 2016 (stellingen sub a en b) iets aan (de begrijpelijkheid van) het oordeel van het hof af zou doen. Dat geldt ook voor de suggestie dat [B] haar verhuurprojecten eerder aan andere partijen heeft overgedragen (stelling sub e). Dat reeds eerder een voltooide contractsoverneming (dus met medewerking van ISB) met betrekking tot de huurovereenkomst met ISB heeft plaatsgevonden, heeft ISB immers niet aangevoerd, terwijl eventuele voorafgaande
onvoltooidecontractsovernemingen de positie van ISB niet raakten (art. 6:159 BW Pro).
CIA/Heredium [13] dat vanwege de door VO geclaimde betaling van de huurpenningen voor ISB een opschortingsrecht bestond,
omdat(‘immers’) de omstandigheid dat de vordering van VO ongegrond is gebleken niet zonder meer meebrengt dat ISB terstond in verzuim komt te verkeren. Volgens het subonderdeel was voor het voor het oordeel van het hof ‘eens te minder aanleiding’ omdat pas met het arrest
curator/ […] [14] duidelijk is geworden dat [B] ook na de natrekking verhuurder kon blijven en er geen wanprestatie van de verhuurder was zolang een aanspraak van de eigenaar het feitelijk huurgenot niet verstoorde.
CIA/Herediumzou kunnen volgen dat ISB een opschortingsrecht had, valt niet in te zien. Dat ISB in verzuim is komen te verkeren, heeft het hof niet beslist in rechtsoverweging 9.13. Ook elders heeft het hof dat niet beslist. Dat is niet verwonderlijk. In de toewijzing van onder meer rente lag besloten dat naar het oordeel van de kantonrechter ISB in verzuim was komen te verkeren. Tegen dat oordeel heeft ISB geen grief opgeworpen. Wel heeft ISB met grief 4 opnieuw zich erop beroepen dat op grond van art. 6:37 BW Pro haar een opschortingsrecht toekwam. Dat beroep op art. 6:37 BW Pro heeft het hof besproken en verworpen.
curator/ […]aldus dat volgens de steller van het middel tot dat arrest onduidelijk was of iemand anders dan de eigenaar verhuurder kan zijn, zodat ISB ten tijde van de opschorting wel degelijk op redelijke gronden twijfelde aan wie de betaling moest geschieden. Dit overtuigt niet. Ook vóór genoemd arrest werd algemeen aangenomen dat ook een niet-eigenaar verhuurder kan zijn, [15] wat eigenlijk vanzelf spreekt omdat huur een verbintenisrechtelijke rechtsfiguur is en niet een beperkt recht. Vóór het arrest
curator/ […]werd ook reeds algemeen aangenomen dat de enkele bewering van recht – dus zonder een feitelijke stoornis in het huurgenot – geen gebrek van het verhuurde oplevert (art. 7:204 lid 3 BW Pro zei en zegt dat uitdrukkelijk) en ook anderszins geen tekortkoming van de verhuurder. [16] Dat in genoemd arrest in rechtsoverweging 3.3.3 een onduidelijke passage uit de parlementaire stukken is opgehelderd, maakt een en ander niet anders. Het hof heeft dus zeer wel kunnen oordelen dat ISB niet op redelijke gronden twijfelde aan wie betaling moest geschieden in de zin van art. 6:37 BW Pro.
CIA/Heredium. Ik zei reeds dat het hof bij gebreke van een grief van de zijde van ISB aan die kwestie geen overweging behoefde te wijden. Ik voeg daar op deze plaats aan toe dat ISB mijns inziens geen reden heeft om te denken dat zij aldus het slachtoffer is van het optreden van haar advocaat in feitelijke instanties. Het is waar dat het arrest
CIA/Herediumduidelijk maakt dat mogelijk is dat opschorting naar aanleiding van een claim van een derde die achteraf ondeugdelijk blijkt, niet tot verzuim leidt. De context van die beslissing is echter geheel anders dan die van de onderhavige zaak. In de zaak
CIA/Herediumwas bij een aandelentransactie door partijen de mogelijkheid voorzien dat de fiscus zich op het standpunt zou kunnen stellen dat overdrachtsbelasting verschuldigd was. Zij kwamen daarover overeen dat de eventueel verschuldigde, krachtens de fiscale regels door de koper te betalen, overdrachtsbelasting voor rekening van de
verkoperzou zijn. Toen vervolgens inderdaad de voorziene fiscale claim volgde, schortte de koper een deel van de betaling van de koopsom op. In déze context is aangenomen dat uitleg van de overeenkomst met zich bracht dat de koper niet in verzuim was komen te verkeren, ook al bleek achteraf de aanspraak van de fiscus onjuist. In verband met de zekerheidsfunctie van het opschortingsrecht lag die beslissing voor de hand: waar de koper de eventueel verschuldigde overdrachtsbelasting voor rekening van de verkoper kon brengen, mocht zij ook tot zekerheid een evenredig deel van de koopprijs onder zich houden tot het moment dat duidelijk zou zijn of dat geval zich zou voordoen (zodat zij, als inderdaad overdrachtsbelasting verschuldigd zou blijken te zijn, haar aanspraak op de verkoper uit dien hoofde met de koopprijs zou kunnen verrekenen). Ik zie geen aanleiding voor de gedachte dat in de onderhavige zaak iets dergelijks zou hebben kunnen gelden. In de eerste plaats zie ik geen aanknopingspunt in de rechtsverhouding tussen ISB en (aanvankelijk [B] en vervolgens) [verweerders] voor een uitleg volgens welke de omstandigheid dat ISB zich mee heeft laten voeren door het onjuiste standpunt van een derde (VO), in plaats van voor eigen rekening, voor rekening van [verweerders] komt. In de tweede plaats is VO niet in de volle zin van het woord een derde. In de parallelle zaak heeft het hof benadrukt dat er een nauwe bestuurlijke verwevenheid bestaat tussen VO en ISB. [17]
onderdeel 4behoeven geen bespreking.