Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Opzet
‘Op 4 november 2015 waren de kinderen bij mij. Ze moesten die dag terug naar [slachtoffer]. ‘s Middags bracht ik ze naar haar. Eenmaal daar begon [slachtoffer] over de alimentatie die ik nog moest betalen. Ze begon daarover te ruziën. Mijn zoon stond er toen bij. De blik die ik op dat moment in zijn ogen zag, was voor mij de druppel. Wat ik zag klopte met het beeld dat ik had, dat het niet goed ging met de kinderen. Er knapte toen iets in mij. Ik dacht op dat moment dat deze situatie niet langer zo kan blijven.
Gelet op het door verdachte geformuleerde doel van zijn handelen die avond dient naar het oordeel van het hof de vervolghandeling van het op het gezicht leggen van het kussen geduid te worden als een middel om haar, na de bedwelming, vervolgens de adem te ontnemen, zodanig dat dit haar dood zou worden. Het hof acht zich in dit oordeel gesteund door de eerder genoemde zoekgeschiedenis op bij verdachte in gebruik zijnde computers en telefoon alsmede zijn uitlatingen over de door hem gewenste dood van zijn ex-vrouw.
Verder is verdachte in oktober daadwerkelijk overgegaan tot de aanschaf van ether. Ook heeft verdachte verschillende mensen benaderd om [slachtoffer] uit de weg te ruimen.
eerste middelheeft betrekking op de bewijsvoering van het bewezenverklaarde opzet. Het middel berust op de veronderstelling dat het hof “vol opzet” heeft afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, terwijl dit niet uit de bewijsvoering kan volgen. Hierdoor geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het onbegrijpelijk.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaarde “voorbedachten rade” onvoldoende steun vindt in de bewijsvoering. Het middel betwist terecht uitdrukkelijk niet dat het hof het juiste toetsingskader heeft aangelegd, maar klaagt dat het oordeel van het hof dat verzoeker “niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar juist goed georganiseerd en planmatig is opgetreden” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte een besluit had genomen om zijn ex-echtgenote te gaan doden en dat er sprake was van een ‘voorgenomen plan om dat te gaan doen. Dit oordeel is volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk omdat de bewijsmiddelen niet uitsluiten dat er sprake was van impulsief handelen. Voorts wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat ook wanneer niet zou zijn komen vast te staan dat gehandeld is in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet (zonder meer) de conclusie mag worden getrokken dat er sprake is geweest van handelen met voorbedachte raad.