Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2voortbouwt op onderdeel 1, deelt het in het lot daarvan. Voor het overige mist Termexim belang bij de klacht in onderdeel 2 dat het hof ten onrechte de ‘gewone’ regel van bewijslastverdeling van art. 150 Rv Pro niet heeft toegepast, nu het hof in rov. 22 onbestreden heeft overwogen dat (in dit geval) de bewijslastverdeling volgens Oekraïens recht op hetzelfde neerkomt als die volgens het Nederlands recht (art. 150 Rv Pro). Voorts miskent het onderdeel dat ook op grond van art. 150 Rv Pro de verdeling van de bewijslast samenhangt met de inhoud en uitleg van het Oekraïense (materiële) recht. Indien op grond van het Oekraïense recht, zoals het hof heeft overwogen, de betalingsverplichting van Glencore afhankelijk is van de nakoming van de verplichting van Termexim om wagons ter beschikking te stellen, zal Termexim op grond van art. 150 Rv Pro – nu zij zich op nakoming van die betalingsverplichting beroept – moeten bewijzen dat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan. Van een bevrijdend verweer van Glencore is geen sprake. Het oordeel dat op Termexim in conventie de bewijslast rust van de stelling dat zij treinwagons aan Glencore ter beschikking heeft gesteld, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Daarmee faalt ook onderdeel 2.
onderdeel 3deelt het lot van de voorgaande onderdelen. Ook de overige klachten van onderdeel 3 met betrekking tot de stelplicht falen. Het oordeel in rov. 25 dat Termexim haar stelling dat zij ook in de periode na juli 2013 treinwagons aan Glencore ter beschikking heeft gesteld niet concreet heeft onderbouwd, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk. Het onderdeel laat na te onderbouwen welke stellingen Termexim in feitelijke instanties heeft aangevoerd en waarom het oordeel van het hof in het licht daarvan onbegrijpelijk is. Volstaan is met de algemene opmerking dat Termexim ‘in eerste aanleg, waarop in hoger beroep is voortgeborduurd, (…) uitgebreid op de zaak en z’n merites [is] ingegaan’ en dat ‘een en ander is ondersteund met een groot aantal producties (…)’. Het onderdeel bevat geen zelfstandige klachten tegen rov. 26.