ECLI:NL:PHR:2020:376

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2020
Publicatiedatum
15 april 2020
Zaaknummer
19/01745
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 27 SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatie mishandeling en vrijheidsbeperkende maatregelen contact- en gebiedsverbod

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling van het slachtoffer door meerdere malen te slaan in het gezicht en hoofd. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep voor de vrijspraak op het eerste feit en bevestigde het vonnis van de politierechter voor het tweede feit, waarbij een taakstraf en vrijheidsbeperkende maatregelen werden opgelegd.

De middelen van cassatie richtten zich op de vermeende onjuiste motivering van het hof bij de verwerping van het vrijspraakverweer en de motivering van de opgelegde contact- en gebiedsverboden, alsmede op het al dan niet maximeren van de totale duur van de vervangende hechtenis. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende bewijsmiddelen heeft gebruikt om het verweer van verdachte te verwerpen en dat art. 359 lid 2 Sv Pro geen nadere motivering vereist.

Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregelen stelt de Hoge Raad vast dat het hof bij het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid heeft gemotiveerd dat ernstig rekening moet worden gehouden met herhaling van strafbare feiten of belastend gedrag, wat toereikend is. Ook is geen motiveringsplicht voor maximering van vervangende hechtenis in het vonnis vereist; de wet stelt slechts een maximale duur van zes maanden. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft verdachte terecht veroordeeld en de vrijheidsbeperkende maatregelen toereikend gemotiveerd opgelegd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/01745
Zitting3 maart 2020 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1.
Bij arrest van 27 maart 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. Ook heeft het hof het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 12 oktober 2017, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, bevestigd met aanpassing van gronden. Bij dat vonnis is de verdachte ten aanzien van feit 1 vrijgesproken en veroordeeld wegens onder 2 “mishandeling” tot een taakstraf voor de duur van 80 uren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro, subsidiair 40 dagen hechtenis en waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zijn aan de verdachte (hierna nader te omschrijven) vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd en zijn deze dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot is beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader in het door het hof bevestigde vonnis is vermeld.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.3.
Het eerste middel ziet op de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het tweede en derde middel richten zich tegen de motivering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen ex art. 38v Sr. Deze lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.Het eerste middel

2.1.
Het middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv Pro is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte diende te worden vrijgesproken van de mishandeling, zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
“in de periode gelegen tussen 22 juni 2017 en 23 juni 2017 te Oegstgeest [slachtoffer] heeft mishandeld door één of meerdere malen te slaan in/op/tegen het gezicht en het hoofd.”
2.3.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen [1] :
“1. Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0900-2017190849-1 van 23 juni 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (pagina 7 t/m 9 van het proces-verbaal nr. PL0900- 2017190849), inhoudende de aangifte van [slachtoffer] :
Blz. 7: ‘Plaats delict: [a-straat 1] , [postcode] Oegstgeest
Pleegdatum/tijd: Tussen donderdag 22 juni 2017 en vrijdag 23 juni 2017.’
Blz. 7: ‘ [verdachte] pakte mij weer beet op het bed. Hij sloeg mij met zijn vuist en platte hand, volgens mij met zijn rechter en linkerhand, maar dat weet ik niet precies meer. Hij sloeg mij op mijn hoofd, aan de zijkant van mijn gezicht. Ik voelde na die klappen ook direct hoofdpijn. Ik voelde ook echt pijn aan mijn kaak, dat doet nu ook echt nog zeer, vooral aan de linkerkant.’
Blz. 8: ‘Er was bloed uit mijn oren gekomen en er zaten wat vegen bloed op mijn wang. Op de lakens van het bed en op de handdoek zit dus wel bloed. Ook heb ik wat bloedspetters op mijn shirt.’
Blz. 9: ‘Hij was heel boos en heeft mij geduwd, geslagen en hard vastgepakt. Ik heb hierdoor plekken op mijn gezicht en mijn armen. Deze zijn rood en gekrast.’
2. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0900-2017190849-3 d.d. 23 juni 2017, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland (blz. 24 van het proces-verbaal nr. PL0900-2017190849), voor zover - zakelijk weergegeven- inhoudende de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Blz. 25: ‘Ik zag dat [slachtoffer] tranen in haar ogen had. Ik zag dat zij rode plekken in haar gezicht had wat leek op schaafwonden. Gezien vanuit het perspectief van [slachtoffer] zag ik dat er een rode plek van ongeveer 3 centimeter rechts op haar onderkaak zat en ik zag dat er een rode streep naast haar linker mondhoek omhoog liep. Ik zag tevens rode plekken en strepen onder en achter het linkeroor van [slachtoffer] . Ik zag ook node plekjes in de linkeroorschelp van [slachtoffer] .’
Blz. 25: ‘Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat zij was mishandeld door [verdachte] .’
3. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0900-2017190849-4 d.d. 23 juni 2017, opgemaakt door [verbalisant 2] , BOA domein generieke opsporing, aktenummer 6026656/1 van politie Eenheid Midden-Nederland, (blz. 57 van het proces-verbaal nr. PL0900-2017190849), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Blz. 57: ‘Op vrijdag 23 juni 2017 zag ik [slachtoffer] het bureau naar binnen lopen. Ik zag dat [slachtoffer] hevig aan het huilen was, daarnaast dat zij een grote rode verkleuring had aan de rechterzijde van haar wang.’
4. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0900-2017190849-28 d.d. 25 juni 2017, opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland (blz. 80 van het proces-verbaal nr. PL0900-2017190849), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Blz. 80: ‘Op vrijdag 23 juni 2017 meldde een hotelgast bij de receptie van hotel dat er een conflict gaande was in kamer. Op camerabeelden van de beveiliging van het hotel is te zien dat een vrouw door de gang loopt en voor de deur van een hotelkamer aan de linkerzijde van de gang blijft staan luisteren.’
Blz. 80: ‘Vervolgens nam ik telefonisch contact op met Van de Velde. Ik deelde haar mede waarvoor ik belde en samengevat verklaarde zij: ‘Vrijdag was ik vroeg wakker en liep in het hotel langs kamer 1. Ik hoorde een hond janken of een kind huilen en liep terug om aan de deur te luisteren. Ik hoorde een man en een vrouw ruzie maken.’
5. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 4] en [verbalisant 3] , aspirant en hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, opgemaakt proces- verhaal, genummerd PL0900-2017190849-18, gesloten op 24 juni 2017, als bijlage (p. 133) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het verhoor van verdachte, zakelijk weergegeven:
V=vraag.
0=opmerking.
A=antwoord.
(...)
V: Hoe kan het dat er bloed uit haar oor kwam en hoe kwam ze aan die blauwe plekken in het gezicht?
A: Ik heb het bloed wel gezien. (...) De oorbellen waren al wel uit. Ik zag dat ze uit haar oor bloedde
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een medische verklaring, als bijlage (p. 15 t/m 16) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende,, zakelijk weergegeven:
Datum : 23 juni 2017
Betreft : [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] -1990
(...)
Bovengenoemde patiënte zagen wij heden op de Spoedeisende Hulp wegens: pijnlijke kaak.
(…)
Lichamelijk onderzoek:
(...)
Kaken: hematomen bdzs (kin en mandibulair gebied bdzs), geen trapjes palpapel kaakranden, palpatie van linker kaakkopje pijnlijk. (...)
ADS: (...), klein wondje bdzs in de gehoorgang.”
2.4.
In de schriftuur wordt erop gewezen dat ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2019 het volgende verweer is gevoerd:
“In het dossier is geen steunbewijs aanwezig voor de verklaring van aangeefster. Zij zou geslagen en vastgehouden zijn door verdachte. Verdachte heeft verklaard dat er een ruzie tussen hem en aangeefster is ontstaan waarbij aangeefster hem heeft gebeten. Verdachte heeft vervolgens geprobeerd om aangeefster rustig te krijgen. Aangeefster was zo boos dat zij verdachte in alle hectiek een kopstoot heeft gegeven. Volgens verdachte is aangeefster met haar hoofd tegen het bed aangekomen toen hij haar in bedwang probeerde te houden. Verdachte heeft ook benoemd dat aangeefster zichzelf verwondde. Het bij aangeefster aangetroffen letsel doet niets af aan de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte. Ik merk overigens op dat onduidelijk is van wanneer de door de advocaat-generaal voorgehouden foto’s dateren.
Kortom: verdachte ontkent niet dat er ruzie is geweest, maar hij ontkent wel aangeefster mishandeld te hebben. In dit verband is relevant dat het hotelpersoneel zelf niets heeft opgemerkt, zij hebben geen letsel gezien bij aangeefster toen zij het hotel verliet. Dit terwijl aangeefster haar haar in een staart droeg en haar gezicht dus goed was waar te nemen. Dan de op het bed aangetroffen bloedvlekken. Het is aannemelijker dat dit menstruatiebloed is, zoals verdachte ook heeft verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht seks heeft gehad met aangeefster en dat zij ongesteld was, daarom hebben zij een handdoek gebruikt. Hiervoor is steun te vinden in het dossier, de schoonmaakster heeft namelijk een tamponverpakking aangetroffen in de prullenbak en er zijn bloedvlekken aangetroffen op een handdoek. De aangetroffen bloedvlekken zijn in ieder geval niet redengevend voor het bewijs. Nadat verdachte en aangeefster het hotel hadden verlaten, heeft een medewerker nog in de kamer gekeken. Er zijn geen sporen van geweld aangetroffen. Gelet op het voorgaande verzoek ik het hof verdachte vrij te spreken van de mishandeling. Daarnaast verzoek ik, in verband met de bepleite vrijspraak, de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoek ik, mocht u wel tot een veroordeling komen, deze vordering af te wijzen, nu er geen dan wel onvoldoende rechtstreeks verband is tussen de gestelde schade en het feit. Ook is er geen grond voor de gevorderde immateriële schade. Aangeefster heeft geen reden om bang te zijn voor verdachte. Gelet op hetgeen is aangevoerd kom ik niet toe aan bespreking van het contact- en locatieverbod.”
2.5.
De klacht, inhoudende dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op het standpunt dat de verdachte de aangeefster niet heeft mishandeld, stuit af op de vrije selectie en waardering die de feitenrechter toekomt. Het hof heeft dit tot vrijspraak strekkende verweer weliswaar niet expliciet besproken, maar uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt wel dat het hof het scenario van de verdachte niet aannemelijk heeft geacht. Anders dan de steller van het middel opmerkt, wordt het verweer strekkende tot vrijspraak wel weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. De als bewijsmiddel 1 gebezigde aangifte houdt immers in dat de verdachte de aangeefster meerdere malen heeft geslagen, geduwd en beetgepakt. De motivering van het hof dat en waarom het de lezing van de verdachte niet aannemelijk heeft geacht, ligt daarmee voldoende besloten in de gebezigde, relevante bewijsmiddelen en art. 359 lid 2 Sv Pro noopte het hof niet tot een nadere motivering. [2]
2.6.
Het middel faalt.

3.Het tweede en derde middel

3.1.
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 38v Sr niet heeft gemotiveerd waarom het aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregelen (een contact- en gebiedsverbod) heeft opgelegd. Het derde middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 38w Sr de totale duur van de vervangende hechtenis van de vrijheidsbeperkende maatregelen niet heeft gemaximeerd.
3.2.
Voordat ik over ga tot een bespreking van de middelen, geef ik de bepalingen weer van art. 38v [3] en art. 38w Sr, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit:
Art. 38v Sr:
“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
c. op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,
d. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.
3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.
4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
5. Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.
6. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.”
Art. 38w Sr:
“1. In het vonnis waarbij de maatregel als bedoeld in artikel 38v wordt opgelegd, beveelt de rechter dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
2. De rechter bepaalt in het vonnis de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld en bedraagt ten minste drie dagen.
3. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
4. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel, bedoeld in artikel 38v, tweede lid, niet op.”
3.3.
Het door het hof bevestigde dictum houdt ten aanzien van de opgelegde maatregelen waartegen in cassatie wordt opgekomen het volgende in:

Contactverbod, legt als maatregel op een contactverbod voor de duur van 24 maanden, inhoudende dat veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1990.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op.
Gebiedsverbod, legt als maatregel op een gebiedsverbod voor de duur van 24 maanden, inhoudende dat veroordeelde zich niet zal ophouden in [b-straat 1] te [plaats] en zich niet op zal houden binnen een straal van 100 meter van de woning(en)/de (bedrijfs)pand(en), gelegen aan de [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] en [c-straat 1] , [postcode] [plaats] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregelen, dadelijk uitvoerbaar zijn.”
3.4.
Een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr kan slechts worden opgelegd indien dit strekt tot de beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten. De wet kent geen bijzondere voorschriften voor de motivering van de oplegging van de maatregel. Uit de (schaarse) rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot art. 38v Sr volgt dat voldoende is dat de rechter motiveert dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen. [4] De wetgever heeft de maatregel niet willen beperken tot bepaalde in de wet omschreven gevallen maar deze algemeen toepasbaar willen maken, waarbij het aan de strafrechter wordt overgelaten te oordelen in welke concrete gevallen een maatregel passend wordt geacht. [5]
3.5.
In de toelichting op het tweede middel wordt, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en een arrest van de Hoge Raad van 3 januari 2017, erop gewezen dat de rechter in zijn uitspraak dient te motiveren waarom het de vrijheidsbeperkende maatregelen beveelt. Omdat elke motivering van de oplegging hiervan ontbreekt, heeft het hof door het vonnis van de politierechter te bevestigen, zijn beslissing op dit punt volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd.
3.6.
Deze zaak vertoont inderdaad enige gelijkenis met HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4. In deze zaak had het hof zonder enige nadere motivering aan de verdachte zowel een contact- als een gebiedsverbod opgelegd. De Hoge Raad kwam, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting en mede in aanmerking genomen dat de vrijheidsbeperkende maatregel slechts kan worden opgelegd indien dit strekt tot beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten, tot het oordeel dat het hof had moeten motiveren waarom het de vrijheidsbeperkende maatregel had bevolen. [6]
3.7.
Een relevant verschil met de onderhavige zaak is evenwel dat het hof, weliswaar niet bij de oplegging van het contact- en gebiedsverbod maar wel bij het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, heeft overwogen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Hiermee heeft het hof naar mijn oordeel ook de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen toereikend gemotiveerd.
3.8.
Overigens merk ik nog op dat noch ter terechtzitting in eerste aanleg noch in hoger beroep verweer is gevoerd tegen oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen. Sterker nog, de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard “Ik vind het prima als er een contactverbod is. Ik heb namelijk helemaal geen behoefte aan contact met aangeefster”. Mij is dan ook onduidelijk, waarin het rechtens te respecteren belang van de verdachte bij deze klacht is gelegen.
3.9.
Het tweede middel faalt.
3.10.
Ook het derde middel treft geen doel. Anders dan kennelijk in de schriftuur wordt verondersteld, bevat de bepaling van art. 38w lid 3 Sr geen motiveringsplicht voor de rechter om in zijn vonnis of arrest de totale duur van de vervangende hechtenis te maximeren. Uit deze bepaling volgt slechts dát de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis bij een opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel ten hoogste zes maanden bedraagt. De stelling dat het hof de vervangende hechtenis onbegrensd heeft opgelegd, berust dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
3.11.
Het derde middel faalt ook.

4.Conclusie

4.1.
De middelen falen en in ieder geval het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het hof heeft bij aantekening mondeling arrest de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen 5 en 6 vervangen met andere, hier weergegeven, bewijsmiddelen.
2.Vgl. HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3864.
3.In werking getreden op 1 april 2012 bij
4.Vgl. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, NJ 2015/432 (waarin het ging om een gebiedsverbod voor een Ajax-supporter en waarbij het hof acht had geslagen op een eerdere veroordeling voor hetzelfde delict) en HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143, m.nt Vellinga-Schootstra (waarin elke motivering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel ontbrak, hier kom ik zo op terug).
5.Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1806 en mijn voorafgaande conclusie waarin de vraag speelde of in dat concrete geval de vrijheidsbeperkende maatregel proportioneel en noodzakelijk was in het licht van art. 8 EVRM Pro.
6.Dit in tegenstelling overigens tot mijn ambtgenoot Hofstee, die in de voorafgaande conclusie uiteenzet waarom naar zijn oordeel uit het arrest voldoende kon worden afgeleid dat het hof tot het kennelijke oordeel was gekomen dat aan het doel van de vrijheidsbeperkende maatregelen was voldaan. Hij wijst daarbij o.m. op de aard van het delict (belaging) dat zich in het algemeen al kenmerkt door een hoog recidive-gehalte, de bewijsvoering van het hof en de verklaring van de verdachte dat hij zich kon voorstellen dat zijn gedragingen gezien kunnen worden als stalking.