Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 6 EVRMArt. 70 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt taakstraf voor opzettelijk bezit van grote hoeveelheden hennep en hasjiesj
Op 19 juni 2014 werd verdachte aangehouden bij een coffeeshop in Amsterdam met aanzienlijke hoeveelheden softdrugs bij zich, waaronder 2092,24 gram hennep en 4,85 gram hasjiesj. Bij doorzoekingen in zijn auto en woning werden daarnaast grote hoeveelheden hennep en een balletjespistool aangetroffen. Het hof veroordeelde verdachte tot een taakstraf van tachtig uur, te vervangen door veertig dagen hechtenis bij niet-naleving.
De verdediging stelde in cassatie onder meer dat het bezit van de hasjiesj als een overtreding gekwalificeerd moest worden en dat deze overtreding was verjaard, waardoor het hof onterecht één straf had opgelegd. De Hoge Raad verwierp dit middel, stellende dat het hof terecht het bezit van hennep en hasj als één feitencomplex heeft beschouwd en het bezit van hasj niet als een aparte overtreding kwalificeerde.
Een tweede middel betrof de overschrijding van de inzendtermijn voor cassatie, die met ruim zes maanden werd overschreden. De Hoge Raad erkende de schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRMPro, maar achtte dit niet reden voor vernietiging van het arrest, mede vanwege de aard en hoogte van de opgelegde straf.
De Hoge Raad concludeerde dat het beroep in cassatie wordt verworpen, met de kanttekening dat de redelijke termijn is overschreden. De taakstraf van tachtig uur blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de taakstraf van tachtig uur voor het opzettelijk bezit van hennep en hasjiesj, ondanks overschrijding van de redelijke termijn.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/01083
Zitting7 april 2020
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 29 augustus 2018 wegens het onder 1 bewezenverklaarde “ opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en het onder 2 bewezenverklaarde “ handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis, met aftrek. Daarnaast heeft het hof de teruggave gelast van de in beslag genomen, maar nog niet teruggegeven voorwerpen, als genoemd in het arrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/01148. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 19 juni 2014 stond de verdachte achter de balie van een coffeeshop toen het Horeca Interventie Team daar binnenkwam. Bij een eerdere controle door dat team was een familielid van de eigenaar van de coffeeshop met de voorraad naar buiten gelopen. Het leek er volgens de verbalisanten op dat de verdachte ditmaal ook naar buiten wilde lopen. Daarop zijn zij overgegaan tot onderzoek aan de kleding van de verdachte, waarbij verschillende hoeveelheden softdrugs bij hem zijn aangetroffen. Diezelfde dag hebben doorzoekingen van zijn auto en woning plaatsgevonden, waarbij twee tonnen weed en een balletjespistool werden aangetroffen.
5. Het eerste middelklaagt naar de kern genomen over de kwalificatie van het tweede (cumulatieve) deel van het onder 1 bewezenverklaarde. Wat betreft het voorhanden hebben van de 4,35 gram hasjiesj had de bewezenverklaring op grond van artikel 11 lid 6 OpiumwetPro moet worden gekwalificeerd als overtreding. Dit delict was ingevolge artikel 70 lid 1 onderPro 1° Sr reeds verjaard toen het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg een aanvang nam. Bovendien heeft het hof in strijd met artikel 62 één straf opgelegd.
6. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“ 1:
hij op 19 juni 2014 te Amsterdam en/of [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 2092,24 gram van een materiaal bevattende hennep,
en
hij op 19 juni 2014 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,85 gram van hasjiesj”
Aan die bewezenverklaring heeft het hof de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:
“ 1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 augustus 2017.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik kan mij nog wel voor de geest halen wat er zich op 19 juni 2014 heeft afgespeeld.
De hennep die in mijn auto is aangetroffen, heb ik gekocht.
Het balletjespistool is in mijn toilettafél gevonden. Ik heb 5 of 6 jaar geleden twee van deze exemplaren gekocht.
2. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL1302-2014151369-33 van 21 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 101-108].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:
V: In de woning, [a-straat 1] zijn twee tonnen aangetroffen met weed, is het van u.
A: Ja, alles is van mij.
2. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1302-2014151369-2 van 20 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 01-02].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):
Op 19 juni 2014, hielden wij te Amsterdam, als verdachte aan:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1963
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Adres: [a-straat 1] , [plaats]
Bij de fouillering werden meerdere zakjes met cannabis gelijkende producten aangetroffen.
11 zakjes met weed en 3 zakjes met hasj.
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1302-2014151369-5 van 20 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 04-05].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):
Op 19 juni 2014 bevonden wij ons, verbalisanten, [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , op het politiebureau. Daar bevonden zich de goederen afkomstig van de fouillering van [verdachte] . Tussen deze goederen bevond zich een autosleutel. Na controle op het woonadres van [verdachte] in de politiesystemen zagen wij, dat er op het adres ook [betrokkene 1] stond ingeschreven. Op haar naam stond in het politiesysteem een personenauto met kenteken [kenteken] . Hierna, zijn wij, met de autosleutel naar de plaats gereden waar verdachte was aangehouden, op [b-straat 1] te Amsterdam in “ [A] ”. Daar zagen wij bovengenoemd voertuig geparkeerd staan in een parkeervak schuin voor de ingang van de coffeeshop. Met de autosleutel hebben wij de auto geopend en in de kofferbank troffen wij een tas van het merk Ortlieb Waterproof met dichte rits. Na het openmaken van de rits zagen wij, dat de tas gevuld was met plastic doorzichtige zakken met daarin kleinere sealzakje met vermoedelijk cannabis daarin van de hennepplant. Wij roken een sterke geur die wij ambtshalve herkennen als de geur van cannabis. Ook troffen wij in de kofferbak een boodschappentas van Albert Heijn aan. Wij zagen dat de tas gevuld was met doorzichtige lege plastic sealbags. Wij roken in deze lege sealbags een sterke geur die wij ambtshalve herkennen als de geur van cannabis.
Het hof leest sealzakjes in de zinsnede ‘dat de tas gevuld was met plastic doorzichtige zakken met daarin kleinere sealzakje met vermoedelijk cannabis’
4. Een geschrift, zijnde een Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94) met nummer PL1302-2014151369-11 van 20 juni 2014, opgesteld door rapporteur [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 44-46].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [c-straat] , Amsterdam
Datum: 19 juni 2014
Goednummer: PL1302-2014151369-4780033
Inhoud: Inhoud tas bestaat uit zakken met zakjes met vermoedelijk cannabis
Bijzonderheden: Zwarte waterproof ortlieb tas
Goednummer: PL1302-2014151369-4780064
Object: Zak
Inhoud: Albert Heijn tas met daarin lege zakken van ongeveer 40 bij 40 centimeter met daarin de ambtshalve bekende geur van cannabis
5. Een geschrift, zijnde een Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94) met nummer PL1302-2014151369-15 van 20 juni 2014, opgesteld door rapporteur [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 49-50].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Naar het hof begrijpt is ten aanzien van de datum van inbeslagneming sprake van een kennelijke verschrijving, nu blijkens het onder 2 vermelde bewijsmiddel (proces-verbaal van bevindingen) de verdachte op 19 juni 2014 is aangehouden en gefouilleerd.
6. Een geschrift, zijnde een Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 SvPro) met nummer PL1302-2014151369-25 van 20 juni 2014, opgesteld door rapporteur [verbalisant 6] [doorgenummerde pagina 21].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [plaats]
Datum: 19 juni 2014
Goednummer: PL1302-2014151369-4780081
Object: Verdovende mid (Hennep)
Bijzonderheden: Een witte ton met rode deksel vol met hennep
7. Een geschrift, zijnde een Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 SvPro) met nummer PL1302-2014151369-26 van 20 juni 2014, opgesteld door rapporteur [verbalisant 6] [doorgenummerde pagina’s 53-54].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [plaats]
Datum: 19 juni 2014
Goednummer: PL1302-2014151369-4780082
Object: Verdovende mid (Hennep)
Bijzonderheden: Een (1) witte ton met rode deksel vol met hennep
8. Een geschrift, zijnde een rapport in de zaak contra de verdachte [verdachte] van 28 augustus 2014, BVH nummer 2014151369, opgesteld door [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina 342].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
4780033
4 dichtgeknoopte plastic zakken waarin 326 plastic zakjes met 444 g gedroogde plantendelen is hennep
4780058 subitems A en B
A 11 plastic zakjes met 18,0 g gedroogde plantendelen is hennep
B 3 plastic zakjes met 4,85 g bruine substantie is hasjiesj
4780064 subitems A en B
A 1 plastic zakje met 3,24 g gedroogde plantendelen is hennep
4780081 subitems A tot en met C
B diverse plastic zakken met 117 g gedroogde plantendelen is hennep
4780082
3 plastic zakken met 1,51 kg gedroogde plantendelen is hennep”
De Opiumwet (Ow) luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen, voor zover relevant:
“ Artikel 3
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
(…)
C. aanwezig te hebben;
(…)
Artikel 11
1. Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegevenPro verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onderPro B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
(…)
6. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram.
(…)
Artikel 13
1. De in artikel 10, eerste lid, en artikel 11, eerste lid, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
2. De in de artikelen 10, tweede tot en met zesde lid, 10a, eerste lid, 11, tweede tot en met vijfde lid, 11a en 11b strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
(…)”
Lijst II bij de Opiumwet luidde, voor zover relevant:
“International Non-proprietary Name (INN)
andere benamingen
nadere omschrijving
(…)
-
hasjiesj
een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten
-
hennep
elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden”
10. Artikel 11 lid 6 OwPro bepaalt of de in het tweede lid van artikel 11 OwPro bedoelde handelingen een misdrijf dan wel een overtreding opleveren; voor zover deze handelingen betrekking hebben op een hoeveelheid hennep van niet meer dan 30 gram zijn zij, ook in geval van opzet, niet ingevolge artikel 11 lid 2 OwPro als misdrijf strafbaar, maar worden zij bestreken door het eerste lid van dit artikel. [1]
11. De klacht veronderstelt een uitleg van artikel 11 lid 6 OwPro die mij niet geheel logisch voorkomt. Iemand die bijvoorbeeld in het bezit is van zestig gram hennepproducten (“ hennep of hasjiesj”, aldus artikel 11 lid 6 OwPro) begaat één misdrijf, en niet twee overtredingen. Dan maakt het niet uit of de ene helft hennep is en de andere helft hasjiesj. [2]
12. De in cassatie naar voren gebrachte stelling dat de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de hasjiesj ten onrechte niet is aangemerkt als overtreding, stuit op het voorgaande af. In ’s hofs oordeel ligt immers besloten dat de twee onderdelen van het onder 1 (cumulatief) bewezenverklaarde hetzelfde feitencomplex beslaan, terwijl in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat dit hier anders ligt.
13. Het middel faalt in zoverre. Nu de overige deelklachten voortbouwen op het (onjuiste) uitgangspunt dat het voorhanden hebben van de hasjiesj een overtreding betreft, behoeven ze geen nadere bespreking.
14. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
15. Het tweede middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
16. Blijkens de akte rechtsmiddel is namens de verdachte op 29 augustus 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 1 november 2019 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim zes maanden is overschreden. Een voortvarende behandeling kan die overschrijding van de inzendtermijn niet meer compenseren. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Wegens de aard en hoogte van door het hof opgelegde straf behoeft het voorgaande niet tot strafvermindering te leiden, nu het hof een taakstraf heeft opgelegd van minder dan honderd uren. [3] Volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRMPro is geschonden.
17. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt, maar kan niet tot cassatie leiden.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.