Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat de gemotiveerde verwerping van een beroep op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verklaringen van [betrokkene 1] wegens ongeloofwaardigheid en leugenachtigheid niet bruikbaar zijn voor het bewijs onbegrijpelijk is. Het tweede middel bestrijdt de strafbaarheid van de gedragingen van verdachte. Voor de bespreking van beide middelen is zowel de bewezenverklaring als een nadere overweging van hof van betekenis. Ik citeer daarom nu eerst de bewezenverklaring en overweging uit het arrest.
eerste middelover de onbegrijpelijke verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zal ik nu eerst ondanks het nogal feitelijke karakter van het middel in verband met de aard van het strafbare feit nogal uitvoerig ingaan. In cassatie is er geen discussie over de vraag of er een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen inhoudende dat de verklaringen van [betrokkene 1] van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat ze ongeloofwaardig en zelfs leugenachtig zijn, nu deze verklaringen haaks staan op de uitwerking van het opgenomen "cafégesprek". Evenmin bestaat er in cassatie dispuut over de vraag of het hof op dat standpunt heeft beslist. De kern van de klacht in cassatie is dat de motivering van de verwerping onbegrijpelijk is. Daarbij heeft de steller van het middel in het bijzonder het oog op de volgende overweging van het hof: “Voor zover de raadsman de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] in twijfel trekt, overweegt het hof dat het de te bezigen bewijsmiddelen behoedzaam zal selecteren en alleen die bewijsmiddelen voor het bewijs zal gebruiken waarvoor steun kan worden gevonden in de overige bewijsmiddelen. Daarbij merkt het hof op dat het bij de bewijsvoering met name afgaat op de inhoud van de transcripties en de door verdachte zelf afgelegde verklaringen.” Van een behoedzame selectie is naar ik de steller van het middel begrijp geen sprake gelet op de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [betrokkene 1] , voor zover die verklaringen inhouden dat hij, [betrokkene 1] , alleen is ingeschakeld voor de uitvoering, terwijl het initiatief bij verdachte en de medeverdachte lag. Die verklaringen van [betrokkene 1] zouden namelijk wel degelijk haaks staan op de inhoud van het cafégesprek en de overige opgenomen gesprekken (zie verder randnummer 10 t/m 15) en de verklaring van verdachte (zie verder randnummer 16 en 17).
eerste middelfaalt.
tweede middeltreft geen doel.