Conclusie
Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2018136411-1 van 7 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pag. 3 en 4.
4. […].
5. […].
6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2018126411-6 van 7 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], doorgenummerde pag. 12 - 16.
Bespreking gevoerde verweer’
eerste middelklaagt dat het hof het beroep op noodweer op onjuiste gronden heeft verworpen. Het
derde middelbehelst de klacht dat de verwerping van het beroep op noodweer “gebrekkig en/of onvolledig” is gemotiveerd. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
NJ2016/316, m.nt. Rozemond zijn met verwijzing naar relevante eerdere rechtspraak de volgende beschouwingen van de Hoge Raad te lezen. Wanneer door de verdachte of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer wordt gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. De rechter zal daarbij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het “aannemelijk maken” van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht “niet aannemelijk geworden acht”, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
de tas die in het water is gegooid(cursivering, EH), was vernield dan wel beschadigd of onbruikbaar voor zijn bestemming was geworden”.
tweede middelklaagt dat het hof bij de beoordeling en de verwerping van het beroep op noodweer ten onrechte “niet […] heeft begrepen de mogelijkheid van putatief noodweer”; het hof zou hebben “miskend dat mogelijk sprake is geweest van putatief noodweer”.
NJ2016/316 volgt dat, wil de rechter te dezen gehouden zijn tot het geven van een gemotiveerde beslissing, er wel eerst “door de verdachte of namens de verdachte een beroep op […] putatieve noodweer” moet zijn gedaan. Daarvan is in casu geen sprake. Een daartoe strekkend betoog kan uiteraard niet voor het eerst in cassatie worden gepresenteerd. Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat de feitenrechter ambtshalve dient na te gaan of (mogelijk) sprake is geweest van putatieve noodweer, zij opgemerkt dat die opvatting geen steun vindt in het recht.