Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Verzonden: dinsdag 6 november 2018 16:13 uur
Aan: CIB (Rechtbank Oost-Brabant)
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen Poolse vrachtwagenchauffeurs op het bedrijventerrein Hazeldonk in Breda. Tegen dit vonnis stelde de verdachte cassatieberoep in. De Hoge Raad moest beoordelen of het cassatieberoep ontvankelijk was, omdat het beroep ruim na het verstrijken van de wettelijke termijn was ingediend.
Uit de stukken bleek dat het cassatieberoep pas op 7 november 2018 was ingesteld, terwijl de termijn uiterlijk op 31 oktober 2018 verliep. De bijzondere volmacht om het beroep in te stellen was pas op 6 november 2018 ontvangen door de griffie. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigden, zoals een ambtelijk verzuim dat niet aan de verdachte kon worden toegerekend.
De advocaat van de verdachte had geen tijdige schriftelijke volmacht binnen de cassatietermijn aan de griffie verstrekt. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele mogelijkheid van een ambtelijke fout onvoldoende is om het beroep ontvankelijk te verklaren. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard en werd niet inhoudelijk op de middelen ingegaan.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn zonder verontschuldigbare omstandigheden.