Handgeschreven verklaringen van de aanvrager (11 januari 2019), (zijn vriendin) [betrokkene 3] (14 januari 2019) en (zijn moeder) [betrokkene 4] (16 januari 2019) naar aanleiding van een ontmoeting op 29 mei 2014 tussen de aanvrager en [benadeelde partij] .
De analyse “Na het Hockeygala op de Korenmarkt”
9. De aanvrager legt aan zijn herzieningsverzoek in de eerste plaats een analyse met als titel “Na het Hockeygala op de Korenmarkt” van juni 2016, gemaakt door N.F. Malefason en P.J. van Koppen, ten grondslag. In het voorwoord van “Na het Hockeygala op de Korenmarkt” staat dat de tekst een neerslag is van een analyse van het dossier van de strafzaak tegen [aanvrager] die erop gericht was om te onderzoeken of het voorliggende bewijs de veroordeling van [aanvrager] kan dragen. In het verzoekschrift wordt aangevoerd dat de in het wetenschappelijke rapport aangetoonde onjuistheid/onbetrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2] en [getuige 1] ertoe zou moeten leiden dat het verzoek tot herziening gegrond verklaard dient te worden.
10. De conclusie van N.F. Malefason en P.J. van Koppen houdt het volgende in:
“Het arrest van het Hof Arnhem moge dan op drijfzand te zijn gebaseerd, dat kan het hof wellicht niet geheel worden verweten. De politie heeft namelijk slechts één enkel scenario serieus onderzocht: er is geschopt en dat deed [aanvrager] . Alternatieven zijn in ieder geval dat [benadeelde partij] niet is geschopt maar aan zijn gezicht gewond is geraakt door het hek van de schaatsbaan, een mogelijkheid die geheel buiten het onderzoek is gehouden. Als er al geschopt is, zijn er voldoende potentiële daders aanwezig, waarvan de meest prominente is [betrokkene 6] . Althans, [betrokkene 5] zou [betrokkene 6] als dader hebben genoemd. [betrokkene 5] werd nooit verhoord, [betrokkene 6] kwam pas bij de rechter-commissaris aan bod in een nogal oppervlakkig verhoor.
Daarnaast is er een aantal verklaringen dat nogal ontlastend is voor verdachte [aanvrager] . Zo worden de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] tegengesproken door de verklaring bij de politie van [betrokkene 7] en de verklaringen van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] bij de rechter-commissaris. [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en [betrokkene 9] zeiden dat [aanvrager] juist degene was die jongens uit elkaar aan het halen was en dat hij geen schop heeft uitgedeeld. [betrokkene 8] en ook [betrokkene 2] verklaren dat zij niets hebben gezien.
Men zou te rade kunnen gaan bij de vele camera’s die op de Korenmarkt hingen. Maar die leveren eigenlijk heel weinig op en wat zij opleveren is in het voordeel van [aanvrager] . De trap is op de camerabeelden niet zichtbaar en ook is het niet goed te zien wie wie is. Vrijwel iedereen draagt een colbertje, want men kwam van het hockeygala. De twee jongens die herkenbaar zijn door hun witte blouse zijn [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en dan is er nog een ‘bolle’ jongen die de duw geeft en dat is [betrokkene 2] . De duw door [betrokkene 2] aan [benadeelde partij] is wel duidelijk zichtbaar en [betrokkene 2] bekende die duw ook. De getuigen op wie[r] verklaringen de veroordeling door het hof is gebaseerd, [getuige 1] en [getuige 2] , worden echter stevig tegengesproken door de camerabeelden. Beiden zeiden dat [benadeelde partij] na het vallen op handen en knieën zat. Dat is niet zichtbaar op de camerabeelden. Sterker: nadat hij tegen het hek gevallen is, staat hij in zo’n 2 seconden weer op de benen. Ook een schop of trap is niet zichtbaar op de camerabeelden.
[betrokkene 8] en [betrokkene 2] spreken ook over ruim gebruik van drank en cocaïne. Dat op zichzelf zorgt ervoor dat de getuigen niet al te veel moeten worden vertrouwd. Daar deed de politie een stevig schepje bovenop door pas na lange tijd de meeste – en voor de veroordeling de belangrijkste – getuigen te verhoren. En de herkenningen van [aanvrager] zijn, zoals hierboven is besproken, in praktische termen van nul en generlei waarde.
[aanvrager] had niet mogen worden veroordeeld op basis van het voorliggende bewijsmateriaal. Geenszins is vastgesteld dat er een trap of schop daadwerkelijk is uitgedeeld en, zelfs als dat het geval is, dat het gebeurde door [aanvrager] .”
11. Uit de tekst van de analyse komt naar voren dat N.F. Malefason en P.J. van Koppen zich bij hun oordeelsvorming hebben gebaseerd op dezelfde stukken als waarover het hof beschikte. Zij hebben “het dossier in de strafzaak tegen [aanvrager] ” bestudeerd en onderzocht “of het voorliggende bewijs die veroordeling kan dragen.” Hun analyse komt in de kern erop neer dat zij het bewijs anders wegen dan het hof heeft gedaan.
12. Van een novum is onder die omstandigheden geen sprake. Het hof was bekend met de feiten en omstandigheden die in het strafdossier dat de onderzoekers hebben bestudeerd naar voren komen.De enkele omstandigheid dat twee onderzoekers het voorhanden zijnde bewijsmateriaal anders wegen dan de rechter heeft gedaan, levert geen novum in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv op.
Het rapport van Langendoen Advies
13. In de tweede plaats is aan de aanvraag tot herziening het rapport van Langendoen Advies van 19 maart 2018 ten grondslag gelegd. De conclusie in het rapport luidt:
“Alles overziend ben ik van mening dat het opsporingsonderzoek de nodige hiaten vertoont.
Ten eerste heeft het veel te lang geduurd voordat de getuigen zijn gehoord in deze zaak.
Hierdoor waren de nog af te leggen verklaringen, door over en weer beïnvloeding, al ingekleurd nog voordat politie de getuigen had gehoord.
Het heeft mij zeer verbaasd waarom de ter beschikking gestelde videobeelden niet zijn gebruikt ter vaststelling van het eventueel gepleegde strafbare feit en ter bevestiging dan wel ter ontkrachting van verklaringen van getuigen.
Na bestudering van het onderzoek, bestudering van de videobeelden en diverse gesprekken ben ik tot de conclusie gekomen dat, als het gehele onderzoek goed was uitgevoerd, dit geleid zou hebben tot een vrijspraak van [aanvrager] .
Volgens mijn bevindingen is er bewijs dat het letsel van [benadeelde partij] veroorzaakt is door een vuistslag. Deze vuistslag is gegeven door een persoon die goed zichtbaar is op de videobeelden. Deze persoon is reeds bekend maar deze persoon is
absoluut niet[aanvrager] .
Daarnaast blijkt, na bestudering van de videobeelden, dat er absoluut niet te zien is dat er ook maar iemand is die [benadeelde partij] in het gezicht heeft geschopt.”
14. De camerabeelden behoren tot de stukken van het geding. Uit de stukken van het geding blijkt voorts dat mr. B.J. Schadd, de toenmalige raadsman van de aanvrager, bij brief van 15 december 2010 het hof twee dvd’s heeft doen toekomen met daarop een analyse van de camerabeelden. Bij de stukken zit verder een chronologische beschrijving van de camerabeelden (“analyse camera 4 en 5 Korenmarkt 24 decemer 2007 op tijdcode”), die ook bij hiervoor genoemde dvd’s is gevoegd. Op deze beschrijving is aangetekend dat deze door de raadsman voor de terechtzitting van 8 februari 2011 is overgelegd.
15. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 mei 2013 houdt onder meer in dat de voorzitter op de vraag van de raadsman van de verdachte bevestigt dat de camerabeelden als voorgehouden kunnen worden beschouwd. Ook blijkt daaruit dat de verdachte en zijn raadsman het woord tot verdediging hebben gevoerd. De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende aangevoerd:
“Op de camerabeelden is de duw, die wordt toegeschreven aan [betrokkene 2] , zichtbaar. Hierop valt aangever. Hij staat twee seconden later op. Mijn cliënt komt pas later in beeld. Op de camerabeelden is zichtbaar dat hij mensen uit elkaar begint te halen.”
16. Het hof beschikte over de (geanalyseerde en) tot in detail beschreven camerabeelden, terwijl de raadsman van de aanvrager in zijn pleidooi het hof erop heeft gewezen dat op die beelden te zien is dat de aangever ( [benadeelde partij] ) een duw krijgt, valt en twee seconden later opstaat.
17. Uit het rapport van Langendoen Advies komt naar voren dat de rapporteur over dezelfde stukken beschikte als waarover het hof de beschikking had. Het rapport komt er in de kern op neer dat Langendoen het bewijs anders weegt dan het hof heeft gedaan. Ook hiervoor geldt dat die enkele omstandigheid geen novum kan opleveren.
18. De kwaliteit van de beschikbare camerabeelden is tijdens de behandeling in hoger beroep aan de orde geweest. Het hof heeft de zaak naar de rechter-commissaris verwezen teneinde nader onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te doen verrichten. Het NFI is in zijn rapport van 2 augustus 2010 tot de conclusie gekomen dat de beelden van dermate beperkte kwaliteit zijn dat toepassing van beeldbewerkingsmethoden geen betere interpretatie van de beelden mogelijk maakt. De verdediging heeft vervolgens bij brief van 17 december 2010 dvd’s met een analyse van de beelden in het geding gebracht. Het hof heeft de dvd’s bekeken.Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de beelden zichtbaar is dat om 04:58:37:27 de aangever een duw krijgt van [betrokkene 2] , waardoor de aangever ten val komt. Verschillende getuigen hebben zulks waargenomen op de aan hen getoonde camerabeelden (bewijsmiddelen 5 en 6). Zoals hiervoor onder 15 is weergegeven, is ook de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van deze lezing uitgegaan. Ook Malefason en Van Koppen hebben camerabeelden bekeken en gezien “dat om 04.58.37 uur een persoon, [benadeelde partij] , geduwd wordt door een ‘bolle’ jongen – dat moet [betrokkene 2] zijn – en dat die [benadeelde partij] daarop ten val komt” (p. 11). Daarmee in strijd is de bevinding van Langendoen, die opmerkt:
“Samen met de heer Commu heb ik gezocht naar beelden waaruit zou kunnen blijken dat het slachtoffer [benadeelde partij] ) was geduwd en ten gevolge daarvan zou zijn gevallen. Deze beelden bleken er niet te zijn.”
19. Wel zou volgens Langendoen te zien zijn dat om 05.04.28 uur, een man met een fors postuur een vuistslag gaf aan een persoon die vervolgens kennelijk door de kracht van die slag achterover sloeg en door de omheining van een aldaar aanwezige ijsbaan viel.
20. Daarbij merk ik nog het volgende op. In het rapport van Langendoen Advies wordt vermeld dat de camerabeelden zijn “opgewaardeerd, vergroot, zeer langzaam afgespeeld, beelden zichtbaar gemaakt met beweging tot op een duizendste van een seconde”. Op welke wijze dat is gebeurd, wordt niet vermeld. Evenmin is een vergelijking opgenomen van de kwaliteit van de al beschikbare beelden en wat daarop wel en niet te zien is en de situatie na de gestelde opwaardering. Wel stelt Langendoen dat de beelden zodanig duidelijk zijn dat “het in het gezicht schoppen van het slachtoffer [benadeelde partij] zeer zeker te zien zou moeten zijn geweest”.
21. Ik kan de rapporteur daarin niet volgen. Van een novum zou eerst sprake kunnen zijn indien aan de hand van de nieuwe beelden scenario’s kunnen worden vastgesteld dan wel uitgesloten waarover de beelden die de rechter ter beschikking stonden geen duidelijkheid boden, terwijl daaruit een lezing van de feiten volgt die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de gewezen verdachte dan wel tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. Voorts zal moeten worden gegarandeerd dat de authenticiteit van het beeldmateriaal door de bewerking niet is aangetast.
22. Hat rapport geeft over dit alles geen duidelijkheid. De desbetreffende beelden heb ik bekeken en vergeleken met de beelden en de analyse daarvan op de dvd’s die door de verdediging tijdens de behandeling in hoger beroep zijn overgelegd. Ook ik heb op de beelden niet gezien dat de aangever tegen zijn hoofd is geschopt of getrapt, maar een dergelijke gewelddadige handeling was ook niet te zien op de beelden waarvan het hof heeft kennisgenomen. De bewijsvoering van het hof steunt in zoverre ook niet op de camerabeelden, maar op getuigenverklaringen. Voor zover aan de aanvraag ten grondslag ligt dat “het in het gezicht schoppen van het slachtoffer [benadeelde partij] zeer zeker te zien zou moeten zijn geweest”, wordt niet toegelicht waarom zulks anders zou zijn ten opzichte van de camerabeelden die ten tijde van de behandeling beschikbaar waren. Kennelijk is het hof ervan uitgegaan dat de door hem bewezen geachte schop heeft plaatsgevonden buiten het bereik van de camera’s. Wat daar ook van zij: op deze mogelijkheid gaat Langendoen niet in, nog daargelaten dat hij geen duw waarneemt, en geen verslag doet van het duwen op het moment (04.58.37) waarop dit volgens het hof, getuigen en ook Malefason en Van Koppen heeft plaatsgevonden.
23. Gelet op het voorafgaande, meen ik dat ook de onder II genoemde grondslag van de herzieningsaanvraag geen novum oplevert.
De handgeschreven verklaring van [getuige 2]
24. Ten derde heeft de aanvrager het herzieningsverzoek gegrond op de handgeschreven verklaring van [getuige 2] van 24 oktober 2018. Deze verklaring houdt het volgende in:
“Aan mijn verklaring van 23 oktober 2017wil ik het volgende toevoegen: Na het zien van de videobeelden van het gevecht, is mij op 23 oktober 2017 duidelijk geworden dat [benadeelde partij] helemaal geen schop heeft gekregen. Mijn herinnering klopt dus helemaal niet! Er is destijds zo op mij ingepraat waardoor het in mijn herinnering lijkt alsof ik het zelf heb gezien. De waarheid is, dat ik zelf niemand een schop heb zien geven.”
25. Bij een aanvraag tot herziening die is gestoeld op het gegeven dat een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd daarop terugkomt, dient vooropgesteld te worden dat de aanvrager aannemelijk moet maken dat en waarom de getuige op een hem belastende verklaring terugkomt.
26. Het hof heeft drie getuigenverklaringen van [getuige 2] voor het bewijs gebruikt. Daarbij is het hof niet over één nacht ijs gegaan. Het hof heeft haar op 8 februari 2011 onder ede als getuige gehoord. Daar heeft zij opnieuw verklaard dat zij zag dat de aangever van achteren tegen zijn gezicht werd getrapt. Zij herkende de aanvrager als degene die de trap gaf. Zij heeft voorts verklaard dat zij “recht vooruit” in de richting van de aangever keek toen hij volgens haar waarneming van achteren tegen haar gezicht werd getrapt. Zij verklaarde dat zij wel goed zicht had. Op 8 maart 2012 is de zaak naar aanleiding van nieuwe informatie aangehouden en verwezen naar de rechter-commissaris om [getuige 2] als getuige te horen. Op 19 november 2012 is zij opnieuw als getuige gehoord. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] onder meer verklaard dat “ [benadeelde partij] (…) een trap tegen zijn kaak (kreeg) door volgens mij [aanvrager] .” Zij heeft daarbij opgemerkt dat zij de woorden “volgens mij” gebruikt omdat zij zich dat niet meer goed kan herinneren. Het hof heeft het gebruik van de verklaringen van de getuige [getuige 2] gemotiveerd.
27. Uit de verklaring van [getuige 2] van 24 oktober 2018 komt naar voren dat zij zich heeft herinnerd dat [benadeelde partij] een schop heeft gekregen maar dat haar na het zien van de (door Langendoen, in het bijzijn van de moeder van de aanvrager getoonde) videobeelden duidelijk is geworden dat die herinnering niet kan kloppen. Zij verklaart haar herinnering dat [benadeelde partij] een schop heeft gekregen doordat er destijds op haar is ingepraat. De waarheid is volgens haar dat zij nooit iemand een schop heeft zien geven.
28. De handgeschreven verklaring is in strijd met eerdere verklaringen van de getuige, waaronder haar onder ede afgelegde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2011. Daar verklaarde zij dat zij zelf de schop heeft waargenomen en goed zicht had. De door [getuige 2] opgegeven reden levert onvoldoende grond op om aan te nemen dat haar belastende, onder ede afgelegde verklaringen, die steun vonden in ander bewijsmateriaal, onjuist zijn geweest. Daarbij komt dat de beelden door Langendoen zijn getoond, in het bijzijn van de moeder van de aanvrager, en dat Langendoen zich heeft geconcentreerd op een ander tijdstip waarop de relevante gewelddadige handelingen zouden hebben plaatsgevonden dan het hof, zoals hiervoor is besproken.
De schriftelijke verklaringen van de aanvrager, zijn vriendin en zijn moeder
29. Ten slotte is het herzieningsverzoek gebaseerd op de handgeschreven verklaringen van de aanvrager, diens vriendin [betrokkene 3] en zijn moeder [betrokkene 4] . Die verklaringen houden respectievelijk het volgende in:
1. 1. Aanvrager:
“Op 29 mei 2014 heb ik met mijn vriendin en goede vrienden een onwijs leuke Hemelvaartsdag/avond gehad. Bij vertrek naar huis word ik aangesproken door [benadeelde partij] , die mij vraagt hoe het is waarop ik antwoord dat ik er eigenlijk niet zo veel behoefte aan heb om met hem in gesprek te gaan. Er komt vrij snel een bekende van hem bij staan, en [benadeelde partij] vraagt mij hoe is je taakstraf geweest? En dat ook nog es terwijl je het niet hebt gedaan, ha ha. Die domme advocaat van jou heeft het mooi verprutst. Het voelde intimiderend. Ik ben snel met mijn vriendin weggelopen bij hen. Het heeft mij erg aangegrepen.”
2. [betrokkene 3] :
4. “Op 29 mei 2014 liep ik samen met mijn vriend, [aanvrager] , over de Korenmarkt richting huis. Er liep ons een jongen tegemoet. Hij sprak mijn vriend aan en ik liep een stukje door. Ik kreeg het gesprek niet helemaal mee, maar toen ik terug liep hoorde ik die jongen ( [benadeelde partij] ) zeggen ik weet dat jij het niet hebt gedaan. Ik zag dat mijn vriend hiervan schrok. We zijn toen snel naar huis gegaan.”
3. [betrokkene 4] :
“Hemelvaartsdag 2014 werden wij gebeld door onze zoon [benadeelde partij] . Het zal rond 20.30u geweest zijn. [benadeelde partij] klonk geëmotioneerd. Even daarvoor was hij de jongen tegen gekomen die tijdens een vechtpartij in december 2007 een kaakbreuk opliep. Deze jongen vroeg aan onze zoon of hij intussen zijn taakstraf al had gedaan. Toen [benadeelde partij] aangaf niet met hem in gesprek te willen ging de jongen toch door met opmerkingen maken. [benadeelde partij] ervoor dit als provocerend en intimiderend. [benadeelde partij] , want zo heet hij ging verder met de opmerking: Die stomme advocaat van jullie heeft zijn werk niet goed gedaan! Ik weet toch dat jij HET niet hebt gedaan! Intussen was de vriendin van [benadeelde partij] dichterbij gaan staan en zij zag dat hij uit het veld geslagen was door de opmerking die ook zij hoorde. Ze zijn naar huis gegaan en belden ons. Het heeft ons zeer aangegrepen. Het feit dat [benadeelde partij] onschuldig is. Iets dat hij feitelijk ook al eerder verklaarde in zijn laatste verklaring bij de RC. Nu alle zittingen voorbij zijn en de veroordeling een feit kan hij het zich kennelijk permitteren om get nu te zeggen! Ontluisterend en schokkend vonden we het!”
30. De tot het bewijs gebezigde verklaring van [benadeelde partij] (bewijsmiddel 1) houdt onder meer in dat hij voelde dat iemand hem met opzet en met kracht tegen de rechterkant van zijn gezicht trapte en dat hij niet weet wie hem heeft geschopt. De hiervoor weergegeven verklaringen werpen geen nieuw licht op de waarnemingen die de aangever heeft gedaan en die tot het bewijs zijn gebezigd. Ook overigens is het onduidelijk waarop de gevolgtrekkingen die in de ‘de auditu’-verklaringen zijn weergegeven, zijn gebaseerd. Van een novum is geen sprake.
31. Uit het voorafgaande volgt dat de door de aanvrager genoemde gronden noch afzonderlijk bezien noch in hun onderlinge samenhang beschouwd tot herziening kunnen leiden.
32. Deze conclusie strekt tot ongegrondverklaring van de aanvraag.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden