Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Wilsontbreken (grief I)
Uit niets blijkt dat [verweerster] voordien al enig afwijkend gedrag heeft kunnen waarnemen.”
daten
waaromeen stelling een essentiële stelling is. [23]
“Wij hebben na het ondertekenen van de overeenkomst met elkaar, in het bijzijn van de familie [betrokkenen 7] , het glas geheven op een nieuwe, frisse start voor alle partijen. (…) Mijn vader en mijn moeder hebben samen buiten nog een tijd lang met elkaar gesproken. Naderhand zijn we met z’n allen (…) naar de Tox Bar gegaan in het dorp (...). Mijn vader stond samen met [betrokkene 3] aan de bar een drankje te drinken en hadden een gemoedelijk gesprek.”
gedragniet serieus had mogen nemen. De verklaringen van het echtpaar [betrokkenen 5] (dat bij het overleg niet aanwezig was) en de huisarts (die feitelijk niets uit eigen wetenschap heeft kunnen verklaren) kunnen daaraan niet afdoen.”
inhoudvan de gemaakte afspraken: gelet op de voor [verweerster] kenbare, zeer nadelige gevolgen voor [eiser] is zij ‘niet te goeder trouw’ afgegaan op de wilsverklaring die bestond uit de ondertekening van de overeenkomst, aldus [eiser] .
datde overeenkomst voor [eiser] disproportioneel nadelig was, is bovendien niet deugdelijk onderbouwd. Vast staat weliswaar dat [eiser] de exploitatie van [A] zou moeten opgeven, maar ter zake van de door hem gedane investeringen had hij krachtens overeenkomst een vordering op hypotheekhouder [betrokkene 1] voor het geval [A] aan [verweerster] verkocht zou worden (productie d bij conclusie van antwoord).
Tegenover het door [eiser] geleden nadeel staat bovendien dat:
disproportioneelnadelig is, getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting. Dat is namelijk niet vereist: het vermoeden van de tweede zin van art. 3:34 lid 1 BW Pro geldt als de rechtshandeling nadelig is, aldus [eiser] .
subonderdeel IIIbwordt subsidiair geklaagd dat rov. 2.18, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, nu het hof hier niet (kenbaar) de in de procesinleiding onder 6.22 genoemde acht stellingen [36] in zijn overweging heeft betrokken.
voordelen.(…)”
Voorzitter: hoe zit het met de afspraak met [betrokkene 1] ?”
Mr. Kremer(advocaat van [eiser] , toev. A-G): er is een overeenkomst over de vergoeding van de verbouwingskosten met [betrokkene 1] gesloten die ziet op de situatie dat [verweerster] het oudste recht heeft.
subonderdeel IIIedat voor zover het hof bij het prijsgeven door [verweerster] van haar aanspraak op een vordering uit overbedeling rekening houdt met een vordering van € 166.676,50, dit oordeel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet genoegzaam is gemotiveerd, nu [eiser] die vordering “toen reeds ten dele had betaald, en enkel nog een aanzienlijk geringere vordering, namelijk van circa € 60.000,- resteerde”. [41]
ten tijde van de afspraakdoor de rechtbank was toegewezen tot een bedrag van € 166.676,50 en in hoger beroep al was vermeerderd tot het nadien door het hof toegewezen bedrag van € 562.899,-, juist.
Redelijkheid en billijkheid (grief V)
Daarom was het ook nodig dat beide partijen onder begeleiding van Harms de juridische en praktische invulling zouden bepalen en zorgen voor uitwerking zoals beschreven in de overeenkomst. (…)” (onderstreping, A-G)
heeft gehouden(lees: dat [verweerster] reeds heeft voldaan aan bepaalde verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst), maar heeft slechts geoordeeld dat [verweerster] ter zitting heeft bevestigd dat zij op grond van de vaststellingsovereenkomst onverminderd aan bepaalde verplichtingen
kanworden gehouden.