ECLI:NL:PHR:2020:13
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Berekening kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij samenwerkingsverbanden volgens art. 3.41 Wet IB 2001
Belanghebbende, die samen met zijn broer een vennootschap onder firma (vof) drijft, stelde in cassatie dat hij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) volledig op zijn aandeel mocht toepassen zonder verdeling over de vennoten. De investeringen van de vof bedroegen gezamenlijk €119.385 in 2016. Het Hof had geoordeeld dat de KIA van €14.505 over de vennoten naar rato van hun winstverdeling moest worden verdeeld, wat resulteerde in een KIA van €7.254 voor belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigt de berekeningsmethode van het Hof, waarbij eerst het gezamenlijke investeringsbedrag wordt vastgesteld, vervolgens de KIA volgens de tabel in art. 3.41 lid 2 wordt bepaald, en ten slotte deze KIA naar winstverdeling over de vennoten wordt verdeeld. De door belanghebbende voorgestelde methode, die de derde stap achterwege laat, leidt volgens de Hoge Raad tot ongerijmde resultaten en is niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.
Het arrest verduidelijkt dat de wetswijziging van 2010 de berekeningswijze heeft veranderd, waarbij het percentage in het eerste lid is vervangen door een vast bedrag, en dat de verdeling van de KIA over vennoten niet expliciet in de wet is geregeld, maar uit de wetsgeschiedenis en doelstellingen volgt dat een evenredige verdeling moet plaatsvinden. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de berekening van de KIA wordt bevestigd zoals vastgesteld door het Hof.