Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat de verwerping door het hof van het beroep op noodweer ontoereikend is gemotiveerd en keert zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat het bij de beoordeling van het beroep op noodweer niet zal uitgaan van de verklaringen van de verdachte omdat die onvoldoende worden gesteund door andere bewijsmiddelen. Aangevoerd wordt dat dit niet zonder meer begrijpelijk is in het licht van het oordeel van de rechtbank, de inhoud van de stukken van het geding waarvan het hof de inhoud ter terechtzitting heeft voorgehouden en hetgeen daar door de verdediging naar voren is gebracht.
Standpunt van het openbaar ministerie
.Voor zover de steller van het middel klaagt dat de keuze van het hof om niet uit te gaan van de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd, enkel steunt op de overweging dat de lezing van de verdachte onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, berust die klacht derhalve op een te beperkte lezing van het arrest.
tweede middelklaagt dat het hof in de onderhavige zaak vervangende hechtenis heeft verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, waardoor het bestreden arrest in zoverre niet in stand kan blijven. Het middel slaagt om de redenen die uiteen zijn gezet in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.