Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Het eerste middelklaagt dat het hof in strijd met artikel 511f Sv en artikel 359 Sv Pro bij de uitspraak geen overzicht heeft gegeven van de bewijsmiddelen waaraan het de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend, zodat deze schatting niet uit de bewijsmiddelen volgt en ontoereikend is gemotiveerd.
tweede middelklaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat niet valt vast te stellen dat sprake is geweest van eerdere oogsten en dat zeker niet vastgesteld kan worden dat in de ene ruimte (A) sprake is geweest van drie oogsten en in de andere ruimte (C) van twee oogsten. Het
derde middelklaagt dat het hof de vaststelling van het aantal oogsten en het daarmee samenhangende vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door enkel te verwijzen naar het proces-verbaal van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, terwijl namens de verdachte het standpunt is ingenomen dat het aantal oogsten niet valt vast te stellen en de ontnemingsvordering afgewezen diende te worden. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
dat niet valt vast te stellen dat sprake is geweest van eerdere oogsten, en dat zeker niet vastgesteld kan worden dat in de ene ruimte (A) sprake is geweest van drie oogsten en in de andere ruimte (C) sprake is geweest van twee oogsten, afgaande op de bevindingen in de woning”.Het derde middel klaagt dat het hof de vaststelling van het aantal oogsten en het daarmee samenhangende vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door enkel te verwijzen naar het ontnemingsrapport, terwijl namens de betrokkene het standpunt is ingenomen
“dat het aantal oogsten niet valt vast te stellen en de ontnemingsvordering afgewezen diende te worden”.De hiervoor bedoelde standpunten, die in de toelichting op het middel uitgebreider worden weergegeven, zijn volgens de steller van de middelen uiteengezet in de bij het hof ingediende conclusie van 15 november 2018.
“dat hij bij de door hem in de ontnemingszaak ingediende conclusie blijft en dat hij daar een paar kanttekeningen bij zal plaatsen”, dan wel dat de aldaar voorgedragen pleitnotities inhouden dat
“de verdediging wijst op de conclusie zoals ingediend op 15 november 2018 welke zich thans in het dossier bevindt”, respectievelijk dat
“de verdediging voor het overige persisteert en verwijst naar de conclusie van de verdediging d.d. 15 november 2018” is daarvoor onvoldoende. Het hof was dan ook niet gehouden i) op deze verweren te responderen dan wel ii) zijn vaststelling van het aantal oogsten en het daarmee samenhangende vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege het in de conclusie aangevoerde nader te motiveren. Het tweede middel faalt en het derde middel faalt in zoverre.
“het voordeel is verkregen door middel van of uit baten van de bewezenverklaarde feiten en uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan”.Uit de hoofdzaak blijkt dat bewezenverklaard is dat de betrokkene op 4 maart 2016 opzettelijk 302 hennepplanten heeft geteeld. Uit het ontnemingsrapport, p. 7, blijkt dat de aangetroffen hennepplanten waren verdeeld over twee groeitenten in twee ruimtes (A en C) in de woning waarin de betrokkene verbleef. Blijkens zijn motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof uitgegaan van het telen van hennep van 11 juni 2015 tot en met 14 maart 2016, welk telen heeft geresulteerd in drie eerdere oogsten in ruimte A en twee eerdere oogsten in ruimte C.
“begindatum afwijkende meterstand”. Het hof heeft daaruit kunnen afleiden dat de betrokkene op 11 juni 2015 is begonnen met het telen van hennep. Voor zover het derde middel over dat oordeel klaagt, faalt het.
“aangetroffen situatie te weten: zeer vuile filters, kweekresten, kalkaanslag op potten en grondzeil, en droognetten met hennepresten”.Dit formulier, dat zich bij de stukken van het geding bevindt, houdt onder meer het volgende in. Bij de in ruimte A aangetroffen koolstoffilter is aangekruist dat deze ‘zeer vuil’ was en ‘schoon’ is opgehangen. Ook is bij de in die ruimte aangetroffen armaturen en rotorblad ventilator aangekruist dat deze ‘vuil’ waren. Bij de in ruimte B [27] aangetroffen twee koolstoffilters is niet aangekruist of deze ‘schoon’ dan wel ‘(zeer) vuil’ waren. Wel is bij deze koolstoffilters aangekruist dat deze ‘schoon’ zijn opgehangen en is bovendien aangekruist dat deze filters een ‘nieuw filterdoek’ hebben. Op het formulier is verder, en onder meer, aangekruist dat er algengroei, kalkaanslag, hennepafval, hennepaanslag op schaartjes, oude aarde in potten, hennep op de grond en hennep op vier droogrekjes en oude assimilatielampen zijn aangetroffen. Niet is aangegeven in welke ruimtes deze stoffen en voorwerpen zijn aangetroffen. Daaronder houdt het formulier in:
“Eerdere oogsten: in overleg met [verbalisant] zijn wij tot de slotsom gekomen dat hier 3 keer eerder is geoogst. Dit is gebaseerd op: zeer vuile filters die schoon zijn opgehangen en al eens zijn vervangen, kweekresten, kalkaanslag op potten en grondzeil en droognetten met hennepresten”.
zeer vuile filters die schoon zijn opgehangen en al eens zijn vervangen, kweekresten, kalkaanslag op potten en grondzeil en droognetten met hennepresten”. Hoewel uit het formulier inderdaad niet blijkt dat in ‘ruimte C’ vervuilde filters dan wel stof is aangetroffen, blijkt uit het formulier wel dat de daar aangetroffen filters een nieuw filterdoek hebben, waaruit kan worden afgeleid dat de filters in die ruimte al eens zijn vervangen. Dat het hof, mede gelet op de aannemelijke startdatum van 11 juni 2015, daaruit buiten gerede twijfel heeft afgeleid dat ook in ruimte C meerdere oogsten zijn geweest, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het derde middel faalt ook in zoverre.