Conclusie
Exterion
JCDecaux Nederland B.V.,
JC Decaux
NS Stations B.V.,
NS Stations
1.Inleiding
2.Feiten
hof) is in hoger beroep uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld in het tussenvonnis van 18 oktober 2017 van de rechtbank Midden-Nederland (hierna:
rechtbank). Het hof heeft daar als vaststaand feit aan toegevoegd dat de waarde van de door NS Stations in 2011 aan Exterion verleende concessie tenminste tussen de € 50 en 100 miljoen ligt. [1]
NS). De Staat houdt alle aandelen in NS.
nee, nog niet, maar je staat op de shortlist.”
concessieovereenkomst 2011). [5]
3.Procesverloop
het bestreden arrest) in alle drie de appelprocedures.
geen sprake is van rechtsverwerkingaan de zijde van JCDecaux. De rechtbank oordeelde dat de gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat bij NS Stations het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat JCDecaux niet meer het standpunt zou innemen dat NS Stations de concessieovereenkomst uit 2011 had moeten aanbesteden. De gestelde feiten en omstandigheden brengen volgens de rechtbank evenmin mee dat sprake is van onredelijke benadeling bij NS Stations, omdat NS Stations ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ermee bekend was dat JCDecaux het standpunt innam dat NS Stations de concessie had moeten aanbesteden. Het hof voegt daar aan toe dat de door JCDecaux gestelde feiten en omstandigheden het beeld schetsen van een situatie waarin NS Stations vanaf 2010 vaag is gebleven over haar onderhandelingen met Exterion en de inhoud en omvang van de (nieuw af te sluiten) concessieovereenkomst. JCDecaux wist daarom niet (precies) waartegen zij zich (eventueel in rechte) diende te verzetten. De situatie is in onduidelijkheid toegenomen voor JCDecaux nadat zij in juni 2011 het nemen van rechtsmaatregelen had aangekondigd en de vage toezeggingen van NS Stations dat zij in 2015 alsnog de uitgifte van reclame-concessies zou openstellen (rov. 3.4).
Grossmann-jurisprudentie [15] in een geschil als dit niet van toepassing is. Daarbij acht het hof van belang dat voor JCDecaux niet duidelijk was of had kunnen zijn vanaf welk moment van haar proactieve actie werd verwacht (rov. 3.5-3.6).
publiekrechtelijke instelling’. Het hof stelt voorop dat partijen het eens zijn over het ter zake geldende toetsingskader (rov. 3.8 e.v.). Het hof oordeelt dat NS Stations voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard (rov. 3.18-3.19). NS Stations is een ‘publiekrechtelijke instelling’ en zodoende een aanbestedende dienst (rov. 3.20).
duidelijk grensoverschrijdend belangontbrak (rov. 3.23).
tussenconclusiedat NS Stations als aanbestedende dienst ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 ten onrechte geen passende mate van openbaarheid heeft geboden. Het hof oordeelt dat het sluiten van een concessieovereenkomst voor diensten met een duidelijk grensoverschrijdend belang zonder een passende mate van openbaarheid in acht te nemen, onrechtmatig is jegens gepasseerde gegadigden als JCDecaux. Voor de periode vanaf 2011 tot 1 april 2013 volgt die onrechtmatigheid uit de schending van het (primaire) Unierecht.
slotsom. Het verklaart voor recht dat NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst is. Het hof wijst het tweede onderdeel van de door JCDecaux primair gevorderde verklaring voor recht af, voor zover JCDecaux vordert dat in algemene zin voor recht wordt verklaard dat NS Stations vanaf medio 2011 gehouden was overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten op het gebied van reclame en straatmeubilair aan te besteden, althans voor mededinging open te stellen. De gevorderde verklaring voor recht wordt wél toegewezen ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 waarvan JCDecaux met succes heeft betoogd dat sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1bevat de klachten dat het hof niet heeft getoetst aan het eerste deel van de voorwaarde onder a): dat NS Stations is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang.
Subonderdeel 1.2bevat een hierop voortbouwende motiveringsklacht.
Subonderdeel 1.3bevat motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat de behoeften van algemeen belang waarin NS Stations volgens het hof voorziet, niet van industriële of commerciële aard zijn.
regelgevingover dit onderwerp.
functioneel en ruim” te worden uitgelegd [26] (vgl. ook het bestreden arrest, rov. 3.12).
Universale Bauuit 2002 heeft het Hof van Justitie het volgende overwogen (mijn onderstrepingen): [28]
functionele uitleggingmoet krijgen (…)
betrokken entiteit vrij is omnaast de specifieke taak om in dergelijke behoeften van algemeen belang te voorzien,
andere activiteiten te verrichten, maar heeft daarentegen beslissend geacht dat die entiteit zich blijft kwijten van de taken die haar specifiek zijn opgedragen.
moet derhalve worden uitgegaan van de activiteiten die zij daadwerkelijk uitoefent.
dat het al dan niet bestaan van behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard objectief wordt beoordeeld, en dat de rechtsvorm van de bepalingen waarin die behoeften zijn geformuleerd, in dit verband niet van belang is(arrest 10 november 1998, BFI Holding, C-360/96, Jurispr. blz. I-6821, punt 63).”
Korhonen: [29]
zij voor het geheel van haar activiteiten aan te merken als publiekrechtelijke instellingen dus als aanbestedende dienst.
LitSpecMet [30] was de vraag aan de orde of VLRD, een 100% dochter van de nationale spoorwegmaatschappij van Litouwen, is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang. Het Hof van Justitie overwoog onder meer (mijn onderstreping):
lte voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en hun activiteit concreet in dergelijke behoeften voorziet.
eerstworden nagegaan of [de dochtermaatschappij] is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang en of haar activiteiten werkelijk in die behoefte voorzien en, als dat het geval is, moet
vervolgensworden uitgemaakt of die behoeften al dan niet van industriële of commerciële aard zijn (zie in die zin arrest van 22 mei 2003, C-18/01, ECLI:EU:C:2003:300 (
Korhonen)
,punt 40).”
Agora en Excelsioruit 2001 geeft daarvan een voorbeeld. Het ging daar om een entiteit die i) tot doel had activiteiten uit te oefenen verband houdend met de organisatie van jaarbeurzen, tentoonstellingen en soortgelijke projecten, ii) geen winstoogmerk had, maar werd bestuurd op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit, en iii) opereerde in een klimaat van concurrentie. [31]
geenpubliekrechtelijke instelling. [32]
te laagdrempelige invulling” heeft gegeven aan het criterium ‘aanbestedende dienst’. Het subonderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat het er om gaat of NS Stations
is opgericht met het specifiekedoel te voorzien in behoeften van algemeen belang c.q met de uitoefening van die specifieke taak is belast. Het subonderdeel voert verder aan dat toetsing aan dit vereiste vraagt om een weging van alle rechtens en feitelijk relevante gegevens. Het hof heeft volgens het middel niet (kenbaar) in zijn oordeel betrokken dat NS Stations, hoewel zij de transferfunctie van de stations heeft te waarborgen, niet specifiek tot doel heeft om te voorzien in behoeften van algemeen belang. Exterion en NS Stations hebben daartoe aangevoerd dat NS Stations is opgericht met een commercieel doel en dat dit commerciële doel tevens blijkt uit de scheiding tussen privaat en publiek rond het spoor. [33]
opgericht voor het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang”) en het tweede gedeelte daarvan (“
andere behoeften dan van industriële of commerciële of aard”). In de eerste alinea van rov. 3.12 overweegt het hof namelijk
de vennootschap heeft ten doel het beheren en (doen) exploiteren van stations, daarbij behorende terreinen en andere ruimten…) geldt – als gezegd – dat de statutaire doelomschrijving een van de elementen is, die een rol speelt bij de vraag of de betrokken entiteit
voorzietin de behoeften van algemeen belang en dat voor zover in dit onderdeel van grief 3 wordt betoogd dat het criterium zou zijn dat moet worden nagegaan of NS Stations is
opgerichtom te voorzien van behoeften van algemeen belang, dat onjuist is Bepalend zijn de daadwerkelijke activiteiten, waarover het hof in 3.18 reeds een oordeel heeft gegeven.
opgericht voor het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang”.
andere behoeften dan van industriële of commerciële of aard”
.De activiteiten van NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van stations staan in dienst van de kerntaak van NS om personenvervoer per trein aan te bieden. Illustratief is dat de concessie voor het spoorvervoer op het hoofdrailnet, die eind 2014 voor tien jaar is toegekend aan NS, [35] bepalingen bevat die bevestigen dat het beheer van stations is verbonden met de in concessie gegeven spoorvervoerdiensten. [36] NS Stations dient rekening te houden met de belangen van de reizigers en dus met die – niet-commerciële – vervoerstaak van NS. Dat geldt ook voor het exploiteren van reclamemogelijkheden op de stations en in stationsgebouwen. Reclames mogen bijvoorbeeld niet aanstootgevend zijn voor de reizigers.
scheiding tussen privaat en publiek rond het spoor” [37] (vgl. 4.21 hiervoor) gaat naar mijn mening niet op. De in het midden van de jaren ’90 doorgevoerde splitsing van de vroegere Nederlandse Spoorwegen in de aanbieder van spoorvervoerdiensten (NS) en de beheerder van de spoorweginfrastructuur (ProRail) betekent niet dat NS daardoor in het private domein is beland. NS is een staatsonderneming. Dat haar bedrijfsvoering aan bepaalde bedrijfseconomische normen of doelstellingen moet voldoen, maakt NS evenmin een private onderneming met commerciële activiteiten. Hoe dan ook is de nationale kwalificatie ‘privaat’, wat daar verder van zij, irrelevant voor de uitleg van een autonoom Unierechtelijk begrip als ‘publiekrechtelijke instelling’.
dat NS Stations (in elk geval in 2011 en 2015) door het beheer en de exploitatie van stations voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Daartoe acht het hof met name redengevend:
implicit guarantee(van uiteindelijk de Staat) is een omstandigheid die in de rechtspraak als relevant is aangemerkt voor de beoordeling of het gaat om andere behoeften van algemene belang dan van commerciële aard. [39]
Grossmann-regel [41] niet gold. Het onderdeel stelt onder verwijzing naar de processtukken dat het hof eraan voorbij gaat dat van JCDecaux, gelet op het belang van rechtszekerheid van Exterion en NS Stations en derden bij een opdracht, in deze situatie juist een proactieve opstelling mocht worden verwacht.
Grossmann. [43] In dit arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld over de vraag of het in strijd is met de zogenoemde Rechtsbeschermingsrichtlijn [44] dat een onderneming op grond van regels van nationaal recht wegens gebrek aan belang geen toegang heeft tot een beroepsprocedure. Op grond van dit arrest mag van de inschrijver c.q. klager een proactieve houding worden verwacht. Hij dient zijn bezwaren zo spoedig mogelijk bekend te maken bij de aanbestedende dienst. Uit het arrest volgt dat inschrijvers in een zo vroeg mogelijk stadium bezwaren tegen een aanbesteding (bijvoorbeeld wegens de voorgeschreven specificaties) kenbaar moeten maken, anders kunnen zij niet meer opkomen tegen de voorlopige gunningsbeslissing.
Grossmannen de onderhavige zaak. In
Grossmannwas een openbare aanbestedingsprocedure gehouden waaraan de gelijknamige onderneming niet had deelgenomen. Deze had ook geen bezwaar gemaakt tegen de voor deelneming aan de aanbesteding vastgestelde specificaties. Hier heeft NS Stations geen aanbesteding georganiseerd en evenmin, voorafgaand aan het verlenen van de beide concessies, een passende mate van openbaarheid betracht. Er was dus niets waartegen JCDecaux bezwaar kon maken. [45] Het hof oordeelt daarom terecht dat de
Grossmann-jurisprudentie niet van toepassing is op een situatie als hier aan de orde. Het hof hoefde ook niet toe te komen aan een analoge toepassing van die jurisprudentie, omdat voor JCDecaux niet duidelijk was of had kunnen zijn vanaf welk moment van haar een proactieve houding kon worden verwacht en omdat NS Stations bewust of onbewust de onduidelijkheid liet voortduren (vgl. rov. 3.6).