Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
AANVULLENDE CONCLUSIE
- [benadeelde] tot een bedrag van primair € 118.464,03 en subsidiair € 88.400,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; in hoger beroep zijn de gevorderde bedragen aangepast tot € 32.692,- respectievelijk € 27.000,-; ten aanzien van overige schade zou (slechts) de schadevergoedingsmaatregel moeten worden opgelegd. Daarnaast is een tweetal nieuwe schadeposten opgevoerd ter grootte van € 16.300,- en € 15.000,-.
(…)
Overwegingen van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
In hoger beroep heeft de benadeelde partij echter een tweetal nieuwe schadeposten gevorderd: de kosten van studievertraging ad € 16.300,- en immateriële schade ad € 15.000,-. Deze uitbreiding van de vordering in hoger beroep is in het licht van het bepaalde in artikel 421 Wetboek Pro van Strafvordering niet toegelaten. De benadeelde partij is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk in haar vordering.
De raadsman van de benadeelde partij heeft bepleit dat, bij niet-ontvankelijkheid als zojuist weergegeven, het wettelijk systeem niet in de weg staat aan het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot deze beide hiervoor genoemde schadeposten, met het verzoek om deze schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot deze beide schadeposten dan ook op te leggen.
Een en ander betekent, dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering voor zover die de posten studievertraging en immateriële schade betreft, en dat met betrekking tot deze gestelde schadeposten niet een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.
Resteert de beoordeling van de post derving levensonderhoud.
Het hof heeft geen twijfels over de oprechte intentie van de benadeelde partij om het beoogde studietraject in te gaan, en evenmin over de vraag of zij over de capaciteiten beschikt die haar in staat moeten stellen om dat traject positief af te ronden. Het is echter geenszins voldoende zeker dat een en ander een verloop zal gaan hebben als thans gesteld en verwacht wordt. Omstandigheden kunnen gemakkelijk wijzigen, in allerlei opzichten, zeker wanneer gesproken wordt over een traject van vele jaren. Met andere woorden: dat de kosten van levensonderhoud en studie, ook indien uitgegaan zou worden van de redelijkheid van de berekening als gedaan, ook werkelijk zullen worden gemaakt als omschreven, staat niet voldoende vast.
Daarnaast kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld, of de vader van de benadeelde partij, het slachtoffer in de onderhavige zaak, gedurende de gehele gestelde nog komende periode in staat zou zijn geweest het gestelde aandeel (-50 %) in de kosten van levensonderhoud en studie te voldoen, terwijl daarnaast de omvang van het door de ouders van de benadeelde partij te leveren aandeel in de kosten mede bepaald wordt door thans onzekere bijdragen uit studiefinanciering of uit eigen inkomsten van de benadeelde partij.
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat thans noch kan worden berekend noch kan worden geschat wat de omvang is of zal zijn van de door de benadeelde partij geleden schade in de vorm gemiste bijdragen van het slachtoffer in de kosten van haar levensonderhoud en studie.
Dat er, zeker in de afgelopen en nabij liggende jaren, wel bijdragen als bedoeld van de kant van het slachtoffer zijn of zullen worden gemist, acht het hof overigens wel voldoende aannemelijk. De benadeelde partij vormde immers één huishouden met het slachtoffer, haar vader. Het hof zal op die grond aan de benadeelde partij een bedrag toewijzen waarvan het hof inschat dat het slachtoffer in elk geval, en wel op de wat kortere termijn dan de gehele gestelde voorgenomen studieperiode, in enige mate zou hebben bijgedragen in de kosten van levensonderhoud en studie, te weten € 12.000,-. Voor het overige kan de vordering niet voldoende op juistheid worden beoordeeld. De benadeelde partij wordt door het overige deel dan ook niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.”