ECLI:NL:HR:2020:1898

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2020
Publicatiedatum
29 november 2020
Zaaknummer
19/05747
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 SrArt. 311 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 36f SrArt. 6:4:20 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
9 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel en omzetting in gijzeling

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte was veroordeeld tot tien jaar en zes maanden gevangenisstraf en TBS wegens eendaadse samenloop van gekwalificeerde doodslag en diefstal met geweld met de dood tot gevolg.

De verdachte stelde cassatiemiddelen in, met name gericht op het oogmerk en de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor zover het hof vervangende hechtenis had toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de vervangende hechtenis slaagden en vernietigde het arrest voor dat onderdeel. De Hoge Raad bepaalde dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De schriftuur namens de benadeelde partij voldeed niet aan de eisen voor een cassatiemiddel en bleef onbesproken. Het beroep werd verder verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 1 december 2020.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel en gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05747
Datum1 december 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 december 2019, nummer 22-005512-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft O.J. Much, advocaat te Rotterdam , bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft F.J.M. Hamers, advocaat te Rotterdam , een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige en bij aanvullende conclusie geconcludeerd dat de Hoge Raad de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur onbesproken laat.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel die namens de verdachte zijn voorgesteld

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
3.2
Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.
3.3
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4.Beoordeling van de schriftuur die namens de benadeelde partij is ingediend

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Dat geldt ook voor cassatiemiddelen als bedoeld in artikel 437 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Als zo’n cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 december 2020.