ECLI:NL:PHR:2020:112
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Berekening van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij samenwerkingsverbanden volgens art. 3.41 Wet IB 2001
Belanghebbende, die samen met zijn broer een vennootschap onder firma (vof) drijft, stelde dat hij recht had op een hogere kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) dan door Hof Den Haag werd toegekend. Het Hof had geoordeeld dat de KIA die hoort bij het totale investeringsbedrag van de vof verdeeld moet worden naar rato van het winstdeel van de vennoten. Belanghebbende voerde aan dat de wetstekst van art. 3.41 Wet IB 2001 een andere berekeningswijze ondersteunt, waarbij geen verdeling over vennoten plaatsvindt.
De Advocaat-Generaal (A-G) concludeerde dat hoewel de grammaticale uitleg van de wet enige steun kan bieden aan belanghebbendes standpunt, de bedoeling van de wetgever en de wetsgeschiedenis duidelijk maken dat de KIA pro rata moet worden verdeeld. Bovendien leidt het standpunt van belanghebbende tot ongerijmde resultaten, zoals een cumulatieve aftrek die hoger is dan het geïnvesteerde bedrag. Het tweede middel van belanghebbende, dat de berekeningswijze van het Hof in strijd achtte met een eerder arrest van de Hoge Raad over buitenvennootschappelijke investeringen, faalt eveneens omdat die casus niet vergelijkbaar is.
De Hoge Raad bevestigt dat de KIA eerst wordt berekend over het totale investeringsbedrag van het samenwerkingsverband en vervolgens naar het winstdeel van de individuele vennoot wordt toegerekend. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard, waarmee de berekeningsmethode van het Hof en de Staatssecretaris wordt bevestigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de berekeningsmethode van het Hof bevestigd.