Conclusie
1.Overzicht
Rechtbankachtte slechts € 639.658 aftrekbaar: uit art. 1.10 Wmw 2014 II volgt dat de heffingskorting onderdeel is van het heffingssysteem van die wet en dat zij samenhangt met de verhuurderheffing. De Rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor belanghebbendes standpunt.
Hofving de belanghebbende bot: hij achtte de heffingskorting zowel formeel als materieel een verlaging van de verhuurderheffing. Dat daarmee tot op zekere hoogte hetzelfde wordt bereikt als met een investeringssubsidie impliceert niet dat zij als zodanig moet worden verwerkt, nu dat het realiteitsbeginsel zou schenden omdat de verhuurderheffing tot het bedrag van de korting niet als last op de belanghebbende drukt.
welkeondernemingslasten worden verlicht. De vraag is of de heffingskorting moet worden toegerekend aan de betaling van de verhuurderheffing of aan de uitgaven voor de investering in de huurwoningen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
NLF2019/0013) ziet in het standpunt van de belanghebbende een materiële benadering en in dat van de Inspecteur een formele. Hij prefereert de materiële benadering:
NTFR2019/471) heeft begrip voor het standpunt van belanghebbende, maar acht de heffingskorting door haar vormgeving onlosmakelijk verbonden met de verhuurderheffing:
V-N2019/55.7 meent dat het geschil over jaarwinstbepaling gaat en dat belanghebbende het
timingnadeel van heffing ineens over de heffingskorting wil vermijden. Zij constateert dat ingevolge art. 3.30a Wet IB maar beperkt op de huurwoningen kan worden afgeschreven, zodat het voordeel van de heffingskorting in belanghebbendes benadering pas bij verkoop van de woningen fiscaal tot uitdrukking komt. Zij acht die benadering niet bij voorbaat onverenigbaar met goed koopmansgebruik:
NLF2020/0999) benadrukt de spanning tussen de vormgeving en de bedoeling / achtergrond van de heffingskorting. Zij acht niet gegeven dat goed koopmansgebruik er inderdaad toe verplicht haar tezamen met de verhuurderheffing te verwerken:
V-N2020/34.11 ziet ruimte voor een andere benadering dan die van de feitenrechters. De heffingskorting houdt inderdaad onlosmakelijk verband met de verhuurder-heffing, maar óók met de investering, en bij de toepassing van goed koopmansgebruik komt het wel vaker voor dat betalingen op één factuur moeten worden gesplitst en toegerekend:
i.e.naar separate verwerking van de (bruto)verhuurderheffing en de heffingskorting, mede gegeven het eenvoudbeginsel:
3.Het geding in cassatie
belanghebbendestelt één middel voor: schending van art. 3.25 Wet IB 2001 en art. 8 Wet Pro Vpb 1969 doordat het Hof de heffingskorting 2015 tot de belastbare winst 2015 heeft gerekend en niet in mindering heeft gebracht op de kostprijs van de investeringen waarvoor de heffingskorting is verleend. Zij betwist dat de heffingskorting materieel verbonden zou zijn met de verhuurderheffing, gezien de verschillen tussen de doelen en de systemen van de verhuurderheffing en de heffingskorting. Materieel heeft de korting alle kenmerken van een investeringssubsidie. De formele band tussen de verhuurderheffing en de heffingskorting acht de belanghebbende niet beslissend; de voorwaarden verbonden aan de korting kunnen in de weg staan aan (volledige) verzilvering van een toegekende korting, net zoals een subsidie voorwaarden kan hebben die ertoe kunnen leiden dat zij geheel of deels moet worden terugbetaald (HR
BNB1991/341; zie 6.8 hieronder), zodat op dat punt geen verschil met een investeringssubsidie bestaat dat afwijkende fiscale behandeling rechtvaardigt. Zij betoogt dat de vormgeving van de korting geen invloed op een adequate jaarwinstbepaling zou moeten hebben en dat bij winstbelasting een materiële benadering de voorkeur verdient. Het gaat materieel om een investeringssubsidie en die moet bij de bepaling van de jaarwinst in mindering komen op de kostprijs van de investering.
Staatssecretariswilde de wetgever in de Wmw 2014 II rekening houden met verhuurders die met omvangrijke, maatschappelijk wenselijke investeringsopgaven worden geconfronteerd en is de heffingskorting ingevoerd om die investeringen te stimuleren [11] door een reductie op de overigens verschuldigde verhuurderheffing. De korting is op basis van art. 1.10 Wmw 2014 II verrekend met de verhuurderheffing, waardoor per saldo slechts € 639.658 aan verhuurderheffing op de belanghebbende drukte als aftrekbare last voor de vennootschapsbelasting. De Staatssecretaris acht ’s Hofs oordeel dan ook juist.
repliekbetoogt de
belanghebbendedat de wijze van uitbetaling van de heffingskorting niet winstbepalend is. Doorslaggevend is (i) het doel waarvoor de korting is verstrekt (de investeringsopgave en (ii) welke uitgave daardoor niet meer op de belastingplichtige drukt (de investeringsuitgave). Zij wijst op het verschil tussen exploitatiesubsidies (directe winstneming) en investeringssubsidies (afboeking op de kostprijs van de investering). De heffingskorting moet volgens haar dus worden afgeboekt op de kostprijs van de investering.
Staatssecretarisheeft bij brief van 12 oktober 2020 laten weten af te zien van dupliek.
4.De wet en zijn geschiedenis
5. EU-aspecten
2.1. Effectiviteit heffingsvermindering
2.5. Heffingsvermindering ten behoeve van maatschappelijk gewenste investeringen
5.Vergelijking met andere fiscale subsidies
De WIR
4. Artikel 12bb Wet Vpb
Welke uitgaven vallen onder de nexusbreuk?
Voor de nexusbreuk heeft het begrip ‘uitgaven’ de betekenis die in de boekhoudkunde aan dit begrip wordt toegekend. Onder uitgaven wordt in dit kader verstaan uitgaven die zijn gemaakt ten behoeve van het voortbrengen van een kwalificerend immaterieel activum. (..).
Welke invloed heeft een ontvangen subsidie op de nexusbreuk?
Ontvangen subsidies zijn niet van invloed op de nexusbreuk. Deze subsidies vallen niet onder het boekhoudkundige begrip ‘uitgaven’. Zie voor het begrip ‘uitgaven’ onderdeel 4.1.
Welke invloed heeft de S&O-afdrachtvermindering op de nexusbreuk?
Als een belastingplichtige de S&O-afdrachtvermindering toepast ten aanzien van een kwalificerend immaterieel activum waarvoor de S&O-werkzaamheden zijn verricht waarop deze S&O-afdrachtvermindering betrekking heeft, keur ik goed dat deze belastingplichtige het bedrag van deze S&O-afdrachtvermindering als kwalificerende en totale uitgaven in aanmerking neemt voor de nexusbreuk.”
NLFs2020/0363) achten onduidelijk of ook is bedoeld dat de BIK-afdrachtvermindering niet tot de fiscale winst behoort.
6.Rechtspraak
BNB1957/245 [36] betrof een bijdrage in bouwkosten op basis van art. 72 van Pro de Wet op de Materiele Oorlogsschaden. U oordeelde dat die bijdrage afgeboekt moest worden van de kostprijs van het gebouw:
BNB1984/230 [37] oordeelde u dat WIR-bijdragen weliswaar de vorm van belasting-verminderingen hadden, maar economisch en maatschappelijk bezien onbelaste overheids-subsidies waren ter bevordering van investeringen in bedrijfsmiddelen: [38]
BNB1985/109 [39] betrof een vennootschap die woningen aan particulieren verhuurde en daarvoor jaarlijks overheidssubsidie ontving. Omdat deze bijdragen afhingen van de jaarlijkse ontwikkelingen in exploitatiekosten en huuropbrengst, behoorden zij volgens het Hof tot de jaarwinst en waren zij geen te activeren (af te boeken) tegemoetkoming in de aanschaffingskosten van de woningen:
BNB1989/332 [40] betrof een vennootschap die in verband met de verplaatsing van haar bedrijf moest investeren in onroerend goed en machines tot een hoger bedrag dan de opbrengst van de verkoop van haar bedrijfscomplex. In verband daarmee werden haar subsidies toegekend. Volgens het Hof strekte de subsidie tot ontlasting van de belanghebbende van een deel van de aanschaffings- en voortbrengingskosten, zodat zij niet kon worden aangemerkt als een door exploitatie veroorzaakte bate of een kostensubsidie:
BNB1991/299 [41] betrof een geschotsreductie, i.e. een afkoopsom wegens het vervallen van een jaarlijkse vermindering van waterschapslasten. U oordeelde dat die reductie niet strekte tot compensatie van waardevermindering van een bedrijfsmiddel, maar tot vergoeding van toekomstige bedrijfslasten en daarom tot de winst moest worden gerekend:
BNB1991/341 [42] betrof een vennootschap die een film had geproduceerd waarvoor zij via de Stichting Productiefonds voor Nederlandse Films een in bepaalde omstandigheden terug te betalen bedrag van de overheid had ontvangen. Het Hof had het ontvangen bedrag gekwalificeerd als af te boeken subsidie; niet als lening. De belanghebbende kwam hiertegen op omdat zij er in verband met de WIR-bijdragen belang bij had om de voortbrengingskosten van de film zoveel mogelijk aan het (te activeren) bedrijfsmiddel film toe te rekenen. U oordeelde echter dat de stichtingbijdrage aan de uitgaven voor de totstandkoming van het bedrijfsmiddel film moest worden afgeboekt op de kostprijs van de film, en dat het resulterende bedrag moest worden vermeerderd met de geschatte waarde van de mogelijkheid dat de bijdrage terugbetaald zou moeten worden:
7.Literatuur
Negatieve kosten, bijdragen en subsidies
Ontvangen subsidies in verband met aanschaf of voortbrenging van een bedrijfsmiddel
2.4 Heffingsverminderingen: minder kosten of investeringssubsidie?
8.Analyse en beoordeling
exploitatiesubsidie ineens gaat (vgl. HR
BNB1991/299 in 6.7 hierboven).
welkelast daardoor niet meer op die onderneming drukt. Het Hof vóóronderstelt dat de vorm van de subsidie (heffingskorting) meebrengt dat de verhuurderheffing minder drukt, maar dat was nu juist de vraag:
welkelast wordt door de ‘investeringsfaciliteit’ verlicht: die van investering of die van betaling van verhuurderheffing?
omde jaarlijkse verhuurderheffing te betalen (of andere gewone binnenjaarslasten), maar om uitgaven te vergoeden voor investeringen in bepaalde sociale huurwoningen op bepaalde locaties. Het voordeel is dan ook uitsluitend verkrijgbaar onder de voorwaarde dat de RVO definitief vaststelt dat daadwerkelijk in de vereiste mate uitgaven zijn gedaan in kwalificerende regio’s voor investerigen in kwalificerende sociale huurwoningen (of de sloop daarvan);
nietonder de voorwaarde dat de gesubsidieerde het voordeel besteedt aan betaling van de verhuurderheffing.