ECLI:NL:PHR:2020:1051

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
9 november 2020
Zaaknummer
19/02853
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 140 SrArt. 435 SvArt. 437 SvArt. 27a Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken middelen medeplegen gewoontewitwassen en deelname criminele organisatie

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie. Het hof heeft ook verbeurdverklaring van een bestelauto en een geldbedrag van €100.000,- uitgesproken. De zaak is een vervolg op eerdere procedures, waaronder een arrest van de Hoge Raad uit 2014.

De verdachte heeft het cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen schriftelijke middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. De aanzegging van het cassatieberoep is op 12 juli 2019 persoonlijk aan de verdachte betekend en op 24 juli 2019 aan zijn raadsman. Ondanks deze kennisgeving heeft de raadsman geen middelen ingediend.

Op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad de verdachte daarom niet in zijn cassatieberoep ontvangen. De conclusie van de procureur-generaal is dan ook dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal verklaren. De uitspraak bevestigt hiermee het belang van het tijdig indienen van schriftelijke middelen in cassatieprocedures.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van schriftelijke middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02853
Zitting25 augustus 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft – nadat de Hoge Raad bij arrest van 28 oktober 2014 [1] de eerdere uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 15 februari 2013 had vernietigd en de zaak had teruggewezen – bij arrest van 5 juli 2018 [2] de verdachte wegens 1. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring uitgesproken van een bestelauto en van een geldbedrag van € 100.000,-. Ten slotte heeft het hof ten aanzien van de in het arrest vermelde in beslag genomen voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast of de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast.
2. De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] (18/04416) en [medeverdachte 2] (19/02851). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid Sv is op 12 juli 2019 in persoon aan de verdachte betekend. Op 24 juli 2019 is voorts mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam). [3]
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

3.Uit de stukken van het geding blijkt dat mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, zich in cassatie als advocaat van de verdachte heeft gesteld. Deze stelbrief is op 23 juli 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen.