Conclusie
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van het voorarrest.
turnkey-basis zal kopen. [1] Dit project staat bekend als het ‘ […] ’. Het hof heeft geoordeeld dat de koopovereenkomst tezamen en in vereniging valselijk is opgemaakt. Tegen dit oordeel van het hof komt de schriftuur in de eerste twee middelen op. Het derde middel ziet op de strafmotivering.
eerste middelvalt uiteen in twee deelklachten.
met de overeenkomst ten tijde van het opmaken is voorgewend (i.e. schijn) dat sprake was van een concreet vakantieresort dat zou worden gekocht” onbegrijpelijk is in het licht van de daaraan voorafgaande vaststelling dat “
de overeenkomst niet voldoet aan een overeenkomst zoals men die bij een dergelijk turnkeyproject mag verwachten”. Ten slotte wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat de overeenkomst voorwendt dat sprake was van volledigheid van documentatie, onderhandelingen over de grondprijs en een samenwerkingsverband met de plaatselijke autoriteiten, onbegrijpelijk is, nu dit niet uit de overeenkomst volgt.
ten onrechte de indruk (schijn)[wekt]
dat er op dat moment over en weer rechtens afdwingbare verplichtingen bestonden” zou dan ook onbegrijpelijk zijn. Ik volg de steller van het middel hierin echter niet. Artikel 1 van Pro de aan de schriftuur gehechte en tot de stukken van het geding behorende koopovereenkomst, die nota bene is betiteld als ‘koopcontract’, bepaalt namelijk dat ‘hierbij’ – dat wil zeggen:
bijdit koopcontract – verkoper aan koper verkoopt en koper van verkoper koopt het vakantieresort […] . Op geen enkele wijze kan uit deze bewoordingen slechts een
intentietot koop worden afgeleid. Integendeel, de bewoordingen wijzen er juist op dat de partijen met dit contract over en weer rechtens afdwingbare verplichtingen zijn aangegaan.
turnkeyproject mag verwachten, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de wijze waarop de vermeende afspraken omtrent het
turnkeyproject aan het papier zijn toevertrouwd een aanwijzing oplevert dat die afspraken in werkelijkheid niet hebben bestaan. Dit heeft tot gevolg dat het onderwerpelijke schriftelijke contract van 6 maart 2001 (welbewust) niet correspondeert met de werkelijkheid en dus als ‘intellectueel vals’ kan worden aangemerkt. Immers, dat dit contract slechts vier pagina’s telde en dat een groot aantal details ontbrak past veel beter bij het
simulerenvan afspraken (waarbij de details er simpelweg niet toe doen) dan bij een uitonderhandeld internationaal
turnkeyproject met immense financiële belangen en risico’s (waaromtrent ‘in het echt’ reeds bij het aangaan van de verplichtingen een regeling dient te worden getroffen). Daaraan doet niet af dat ook met een dergelijk schriftelijk contract een schijn kan worden gewekt, namelijk de schijn van afspraken met betrekking tot een vakantieresort dat zou worden gebouwd in Montenegro, terwijl dit in werkelijkheid niet zo was. Aldus bezien is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
tweede middelklaagt dat het
medeplegenvan de valsheid in geschrift niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
derde middelbehelst de klacht dat het hof de strafoplegging (mede) heeft gebaseerd op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 juli 2017, waaruit zou blijken dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift, terwijl dit uittreksel zich niet bij de stukken bevindt en/of de verdachte nimmer eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift.