Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
US spec) model dat voor de Amerikaanse markt gebouwd is. [2] Het is in elk geval niet gebleken dat de auto onder een Europese typegoedkeuring is gebouwd of dat daarvoor een certificaat van overeenstemming (hierna: CVO) is afgegeven.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.CO2-uitstootafhankelijke heffing van bpm
(…), berekend met inachtneming van een vermindering.
van de inkoopwaarde in Nederlandvan de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielenop het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de inkoopwaarde in Nederland en de op deze waarde gebaseerde afschrijving kunnen worden vastgesteld.
, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan,vastgesteld aan de hand van een bij ministeriële regeling vast te stellen tabel.
richtlijn nr. 80/1268/EEG (…) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het brandstofverbruik van motorvoertuigen (…)bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 (…) betreffende de type goedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) (…). Indien de meting mede met LPG of aardgas als brandstof is uitgevoerd, wordt de CO2-uitstoot van de auto met LPG of aardgas als brandstofsoort gehanteerd.
350507gram per kilometer respectievelijk
302356gram per kilometer voor een personenauto die wordt aangedreven door een motor met compressieontsteking.
(…)blijkt de omvang van de emissie van CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:
New European Driving Cycle; de bekritiseerde laboratoriumtest) zou stelselmatig verbruiks- en CO2-uitstootwaarden laten zien die bij normaal gebruik op de openbare weg onrealistisch laag zijn. Daarom is sinds september 2018 het gebruik van de WLTP-methode (
Worldwide Light Vehicles Test Procedures) verplicht. Die methode laat bij identieke voertuigen hogere en meer realistischere uitstootwaarden zien. [8] De WLTP-waarden worden echter nog wel teruggerekend naar een ‘Correlated NEDC’-waarde, die voor de heffing van bpm in aanmerking wordt genomen. [9]
cherry picking,toe te staan uit de beschikbare bewijsmiddelen voor de CO2-uitstoot en, indirect, de meetmethoden die daaraan ten grondslag liggen (primair en meer subsidiair standpunt belanghebbende)?
Grundig Italiana. [15]
Co-Fruttaen
Grundig Italiana,dat het product eerder in het vrije verkeer is gebracht in een andere lidstaat van de EU, zoals in dit geval in Duitsland. [19] Aan de andere kant van de vergelijking heeft gelet op de arresten in de zaken
Commissie/Denemarkenen
Tatueen potentieel referentieproduct de status van nationaal product, als bedoeld in de eerste volzin van artikel 110 van Pro het VwEU, zodra het zich op de nationale markt van de betreffende lidstaat bevindt. [20]
Tulliasiamies en Siilindat relevant is of producten ‘vergelijkbare eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen’. [21] Het mag niet gaan om een slechts in theorie geconstrueerde ongelijkheid. Artikel 110 van Pro het VwEU biedt geen bescherming als gelijksoortige (of substitueerbare) nationale producten in feite ontbreken. [22]
Tulliasiamies en Siilin(zie onderdeel 5.7) ligt een ontkennend antwoord op die eerste hiervoor in onderdeel 5.1 opgeworpen vraag voor de hand. Zie ook de volgende overwegingen in het arrest in de zaak
X: [23]
Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig.Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C‑101/00, (…), punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C‑74/06, (…), punten 29 en 37). [onderstreping toegevoegd; A-G]
X: [24]
Nádasdi en Németh: [25]
Xte worden gelezen. Een acte éclairé acht ik daarom dat differentiatie van bpm naar de CO2-uitstoot ook bij gelijksoortige voertuigen, nieuw of gebruikt, onder wettelijk gestelde objectieve condities, niet zonder meer ongeoorloofd is. Dat wordt pas anders als daardoor naar herkomst van voertuigen wordt gediscrimineerd.
Commissie/Griekenlandheeft het Hof van Justitie overwogen, in relatie tot nieuwe auto’s, dat voor de beoordeling van het bestaan van discriminatie naar herkomst moet worden onderzocht of de differentiatie in de belastingheffing consumenten kan ‘afhouden van de aankoop van [in het buitenland vervaardigde; A-G] auto's (…) ten gunste van auto's van [nationaal; A-G] (…) fabrikaat.’ [26] In het specifieke geval van de Griekse belasting die naar cilinderinhoud differentieerde, heeft het Hof van Justitie dat niet het geval geacht:
Vasile Budişanop het eerste gezicht geen bezwaren tegen een Roemeense milieuheffing op tweedehands auto’s die onder meer naar CO2-uitstoot differentieerde: [27]
Humblot. [28] Die zaak gaat over een Franse autobelasting met een sterk verhoogd tarief voor voertuigen met meer dan zestien paardenkrachten fiscaal vermogen. De destijds in Frankrijk geproduceerde auto’s haalden dat niet, anders dan bepaalde buitenlandse auto’s, met name van Duitse makelij:
Humblot. De situatie hier te lande komt meer overeen met de Roemeense milieuheffing uit de zaak
Vasile Budişandie volgens het Hof van Justitie met artikel 110 van Pro het VwEU verenigbaar kan worden geacht. Daarom meen ik dat artikel 110 van Pro het VwEU er in casu niet aan in de weg staat de heffing van bpm bij gelijksoortige voertuigen op nationaal niveau te differentiëren naar de CO2-uitstoot.
Xhad het gerechtshof ’s-Hertogenbosch prejudiciële vragen gesteld vanwege de omstandigheid dat het CO2-afhankelijke deel van de bpm, zoals per 1 februari 2008 ingevoerd, niet was verschuldigd bij de invoer en eerste registratie in Nederland van gebruikte voertuigen die voor 1 februari 2008 voor het eerst in gebruik waren genomen. Deze overgangsfaciliteit gold echter alleen als de registratie tussen 1 februari 2008 en 31 december 2009 plaatsvond. Daarna was het CO2-afhankelijke deel van de bpm wel verschuldigd. Het Hof van Justitie heeft deze temporele beperking in strijd met artikel 110 van Pro het VwEU bevonden, kennelijk omdat voor vanaf 1 januari 2010 ingevoerde gebruikte voertuigen het gunstige regime niet (meer) beschikbaar was waarvan wel gebruik kon worden gemaakt bij voor 1 januari 2010 ingevoerde voertuigen, die inmiddels nationale producten waren geworden:
Xging het over een regime waarin de eerste registratie van bepaalde gebruikte voertuigen tijdelijk onder gunstiger fiscale voorwaarden kon plaatsvinden. Dat doet zich in casu niet voor, zodat de zaak
Xin zoverre niet rechtstreeks toepasselijk is.
Xheeft de wetgever artikel 10b van de Wet bpm 1992 ingevoerd. Op grond daarvan hebben belastingplichtigen bij de registratie van een gebruikt voertuig de keuze het gunstigste bpm-regime toe te passen dat op enig moment heeft gegolden sinds de eerste ingebruikneming van het voertuig. In zoverre heeft een belanghebbende het zelf in de hand door eigen keuze een nadelige ongelijke behandeling te voorkomen. In de zaak
Xzijn belastingplichtige en inspecteur omtrent de hoogte van de verschuldigde bpm uiteindelijk ook tot een vergelijk gekomen dat op dat keuzerecht neerkomt. [30]
cherry pickingzou moeten worden toegestaan bij de keuze van de wettelijke bewijsmethode ter bepaling van de CO2-uitstoot. Dat roept de vraag op of artikel 110 van Pro het VwEU daartoe tevens dwingt bij het overgrote deel van de voertuigen op de Europese markt die een Europese typegoedkeuring hebben (in deze procedure niet van belang). En voorts (wel van belang): is het voldoende? Of moet (ook) van een lagere CO2-uitstoot, en daarmee verschuldigde bpm, worden uitgegaan als een belastingplichtige bewijs kan leveren dat voor één of meer daadwerkelijk bestaande nationale voertuigen die technisch vergelijkbaar, althans grotendeels vergelijkbaar, zijn de CO2-uitstoot (aanmerkelijk) lager is vastgesteld?
Xvolgt dat het referentievoertuig het nationale voertuig is waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig:
identical in all respects apart from national origin, is taxed less heavily, or would be if such a product existed, then the tax system would appear to discriminate in a manner contrary to Article 95. This may be termed the test of the
hypothetical identical product.
hypothetical identical product. If it is established that a particular imported product would have been less heavily taxed had it been instead of domestic origin then,
prima facie, Article 95 is infringed. The onus would be upon the taxing state to show that, though the provisions governing domestic and imported products are not in all respects identical, they should nevertheless be considered as being equivalent in their practical effects.
prima facie, Article 95 is not infringed. The onus would be upon the complainant taxpayer (…) to establish that, despite the absence of formal discrimination, an effective discrimination nevertheless exists. Such might be the case where the conditions which must be met in order to qualify for a tax advantage are such that, in practice, domestic products are favoured, or where fiscal classifications are designed to favour domestic products. Only where effective discrimination of this nature is found to exist does it become necessary to consider the degree of similarity or the competitive relationship of the products in question and their appropriate fiscal relationship.
hypothetical identical domestic product. In effect, having established the tax burden on the imported product in question, instead of determining the tax actually levied on a similar domestic product, the court asks what would have been the tax burden on the imported product had it been produced domestically. If the answer is that it would have borne less tax, then Article 95 is infringed. However, it does not follow that, if the imported product would not have borne less tax had it been produced domestically, Article 95 is not infringed.
Alcoholic Beveragescases [een viertal inbreukprocedures over (zeer) sterk differentiërende belastingen naargelang de grondstof voor sterke drank die er
de factotoe leidden geïmporteerde drank (veel) zwaarder werd aangeslagen dan binnenlands geproduceerde drank, op grond waarvan strijd met artikel 110 van Pro het VwEU is aangenomen; A-G]. (…)
6.De Scandinavische rekenmethode
Als het voertuig voldoet aan de in bijlage I, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 692/2008 genoemde California Regulations en er derhalve geen test van de uitlaatemissies hoeft te worden uitgevoerd, berekenen de lidstaten de CO2-emissies en het brandstofverbruik met behulp van de formules in de punten (b) en (c) van de toelichting.[onderstreping A-G]
7.Behandeling van de klachten
US specmodel is, althans niet een model is dat volgens een Europese typegoedkeuring is gebouwd of waarvoor een CVO is afgegeven. Wat onderdeel b betreft, ligt het nog duidelijker. Artikel 26 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 heeft betrekking op individuele goedkeuringen door de RDW. Uit de uitspraken van de Rechtbank en het Hof volgt dat daarvan geen sprake is geweest. Onderdeel c geldt ten slotte niet, omdat belanghebbende niet zelf een testrapport van een testinstituut heeft overgelegd.
US specen
EU specauto’s alleszins waarschijnlijk. Motorische en andere technische verschillen kunnen van invloed zijn op de CO2-uitstoot. [40]
a prima vistaaanleiding geven discriminatie te vermoeden. Wellicht zijn die (deels) te verklaren door verschillen in uitrusting tussen de auto van belanghebbende ten opzichte van de opgevoerde andere auto’s uit het kentekenregister.