In deze zaak stond centraal of het hervullen van een gastank die eigendom is van Primagaz en voorzien is van haar merk, door een derde zonder toestemming, gebruik van het merk oplevert en daarmee merkinbreuk vormt. Primagaz had de gastank exclusief verhuurd en stelde dat de merkrechten niet waren uitgeput omdat de gastank eigendom bleef van Primagaz en slechts een geringe huurvergoeding werd betaald.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het hervullen zonder aanvullende etikettering inderdaad gebruik van het merk inhoudt en afbreuk doet aan de herkomst- en kwaliteitsfunctie van het merk. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar relevante arresten van het HvJEU, waaronder Viking/Kosan en Winters/Red Bull, waarin het belang van aanvullende etikettering en het onderscheid tussen gebruik en technische diensten werd benadrukt.
De Hoge Raad overweegt dat het ontbreken van een eigen etiket op de gastank ertoe leidt dat het publiek kan denken dat het gas afkomstig is van Primagaz, terwijl Primagaz de kwaliteit en veiligheid niet kan waarborgen. Het beroep op uitputting van het merkrecht faalt omdat de gastank eigendom blijft van Primagaz en geen autonome economische waarde vertegenwoordigt zoals in de Viking/Kosan-zaak.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en wordt [eiseres] veroordeeld in de kosten van het geding. Dit arrest bevestigt de bescherming van merkrechten bij hervulling van vaste gastanks zonder duidelijke aanduiding van de herkomst van het gas.