ECLI:NL:PHR:2019:905
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep wegens te late indiening
De verdachte is bij verstek veroordeeld door het Gerechtshof Amsterdam wegens medeplegen van valsheid in geschrift en kreeg een gevangenisstraf van acht weken opgelegd. Het arrest van het hof werd op 26 april 2007 respectievelijk 26 oktober 2007 aan de verdachte betekend, waarna op 13 oktober 2008 een gratieverzoek werd ingediend, waaruit bleek dat de verdachte op dat moment reeds op de hoogte was van het onherroepelijke arrest.
Desondanks werd het cassatieberoep pas op 15 mei 2018 ingesteld, ruim na de wettelijk toegestane termijn. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 432, tweede lid, Sv.
De conclusie benadrukt dat ondanks de stelling van de raadsman dat het beroep tijdig was ingesteld, de feiten en de stukken duidelijk maken dat dit niet het geval is. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.