Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
of omstreeks10 februari 2017 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een personenauto (taxi)
zodanig op/tegen die [slachtoffer] is ingereden/aangereden dat deze op de motorkap terecht is gekomen en/of(
vervolgens,terwijl die [slachtoffer] zich aan het taxibord vast hield) zijn snelheid zodanig (aanzienlijk) heeft verhoogd en
/ofslingerende bewegingen heeft gemaakt
en/of heeft geremddat daardoor die [slachtoffer] op het wegdek is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
/aande [a-straat] , op
of omstreeks10 februari 2017 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel
en/of schadewas toegebracht.”
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof gebruik heeft gemaakt van de verklaring van de verdachte die niet redengevend is voor de bewezenverklaring van feit 1 en/of de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is.
Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde,
de op 20 februari 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer]-zakelijk weergegeven-:
de bevindingen van [verbalisant 1]-zakelijk weergegeven-:
de op 21 februari 2017 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]-zakelijk weergegeven-:
de op 10 februari 2017 afgelegde verklaring van [getuige]-zakelijk weergegeven-:
verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 20 november 2018, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte althans op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het verlaten van een plaats van een verkeersongeval.
NJ2002, 572 dat van een verkeersongeval kan worden gesproken in een situatie waarbij een verdachte zijn auto zodanig had geparkeerd dat een of meer daarop bevestigde ladders over de fietsstrook van de weg uitstaken en dat een fietser daar tegenaan is gereden. Wil sprake zijn van een verkeersongeval, moet wel aan het verkeerselement zijn voldaan. De wet stelt echter niet de eis dat het ongeval op de openbare weg heeft plaatsgevonden. De wet vereist evenmin dat bij het ongeval een motorrijtuig betrokken is geweest. Volgens Simmelink gaat het bij de etikettering van gedrag als ‘verkeer’ om het verplaatsen van personen en/of goederen al dan niet met behulp van vervoermiddelen, waarbij het openbare karakter een elementair kenmerk is. [3] Een verkeersongeval kan zich dus wel op een parkeerplaats voordoen, maar niet op het circuit in Zandvoort – hoezeer ook de kans op een botsing aldaar niet is uitgesloten. Het hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval of aan dat verkeerselement is voldaan.
ook het helegevolg opzettelijk veroorzaakt, zodat het toeval niet of nauwelijks een rol meer speelt, verdwijnt het ongevalskarakter.” Als voorbeeld neemt hij degene die zijn vijand, die op een trottoir loopt, opzettelijk doodrijdt. Op zo iemand is, wanneer hij vlucht, art. 30 WVW Pro – de voorganger van art. 7 WVW Pro 1994 – niet van toepassing, aldus Remmelink. Het lijkt er vervolgens echter op dat hij die redenering stoelt op het, hier, en wellicht volgens hem in overwegende mate, van toepassing zijnde beginsel dat de pleger van een strafbaar feit niet behoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Ik citeer nogmaals: “Moordenaars en doodslagers worden nu eenmaal niet verondersteld zich na hun daad, b.v. door afgifte van een visitekaartje – te legitimeren.” Hier lijkt het mij dat de – overigens nog steeds zeer geëerde – auteur toch niet op het goede spoor zit. In ieder geval naar huidige inzichten, en uitgaande van de gemoderniseerde tekst van art. 7 WVW Pro 1994 zou ik hem op dit punt niet willen volgen. Nu zou men zich, in twijfelgevallen, toch eerder afvragen of nog wel sprake is van een
verkeersongeval, dus met nadruk op het al dan niet aanwezige verkeerskarakter. Een gedraging kan, hoewel die zich op de weg afspeelt, zover afstaan van wat nog onder verkeersgedrag valt te plaatsen dat niet meer is voldaan aan het geïmpliceerde verkeersaspect, zou de huidige wetsuitlegger kunnen zeggen. Maar liever nog zou ik in de door Remmelink beschreven casus vertrouwen op de filterende werking van het opportuniteitsbeginsel. [6] Voor het overige – dus als wel mede vervolgd zou worden voor het ‘ondergeschikte’ verkeersdelict – kunnen de samenloopbepalingen een – zij het beperkt – corrigerende rol spelen. Die uitkomst strookt ook, als ik het goed zie, met (de opvattingen over) de jurisprudentie. In de literatuur wordt uit HR 2 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AJ5420,
VR1988/36 afgeleid dat de Hoge Raad onder verkeersongeval ook verstaat het opzettelijk veroorzaken van een aanrijding. [7] Het middel klaagde niet over de bewezenverklaring van het hof dat de verdachte was doorgereden na een ongeval maar de Hoge Raad greep ook niet ambtshalve in, terwijl dat destijds wel had gekund.