Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is art. 53 Fw Pro van regelend recht en kunnen partijen de bevoegdheid tot verrekening contractueel beperken, uitsluiten of uitbreiden. Anders dan het hof heeft aangenomen, kan een meerpartijenverrekeningsafspraak het wederkerigheidsvereiste van art. 53 Fw Pro dus terzijde stellen.
nemo plus-regel. Wat geldt echter in faillissement? Wordt in faillissement alles anders? Of kan een contractuele uitbreiding van de verrekeningsbevoegdheid ook in faillissement worden ingeroepen? De literatuur en rechtspraak zijn niet eenstemmig. Uw Raad heeft de vraag niet beslist. [5]
feitelijk‘zekerheidsrecht’, bij uitstek een recht is van ook de ‘kleine man’. Anders dan voor bijvoorbeeld een stil pandrecht, zijn er geen formaliteiten nodig om het recht te vestigen; men behoeft dus niet een jurist te raadplegen om het te kunnen verkrijgen. De schuldeiser vertrouwt er eenvoudig op – en als het faillissement van zijn wederpartij zich aandient, wordt hij in dat vertrouwen beschermd. Welnu, ook op zijn bij partijafspraak ten opzichte van art. 6:127 BW Pro uitgebreide verrekeningsbevoegdheid, vertrouwt de schuldeiser. Nemen wij aan dat die uitbreiding in faillissement geen standhoudt, dan beschamen wij dat vertrouwen.
uitbreidingten opzichte van wat vóór faillissement geldt, en niet zozeer als een beperking. Art. 53 lid 1 Fw Pro begint weliswaar met een aanduiding van het wederkerigheidsvereiste (‘Hij die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is…’), maar dit kan men eenvoudig opvatten als een aanduiding van wat geldt ingeval partijen geen afspraken in andere zin hebben gemaakt.
cash poolarrangementen, dat wil zeggen afspraken, zoals in de financieringspraktijk reeds gebruikelijk, waarbij hoofdelijkheid aan de zijde van de schuldenaren en/of de schuldeisers wordt bedongen. Zo’n
cash poolwerkt volgens Wessels dus kennelijk wel. Dit laat zien dat de opvatting van Wessels langs formele lijnen verloopt: beslissend is of tegenover de schuld aan de boedel een vordering op een derde staat of niet. Door hoofdelijkheid te bedingen is deze horde voor de goed geïnformeerde schuldeiser eenvoudig te nemen: wie we anders derde zouden noemen, noemen we nu hoofdelijk schuldenaar/schuldeiser. De schuldeiser die aldus goed voor zichzelf heeft gezorgd, mag ook volgens Wessels wél verwachten dat zijn schuld aan de boedel als onderpand voor richtige betaling dient. Mij spreekt deze beperking van het te beschermen vertrouwen tot schuldeisers die het juridische spel beheersen, niet aan.
Wilderink q.q./Ontvanger, [22] dus net als het hof in de onderhavige zaak doet. Die zaak betrof de vraag of de Ontvanger een belastingteruggave aan de moedermaatschappij met toepassing van art. 24 lid 2 Invorderingswet Pro 1990 (oud) mocht verrekenen met een belastingschuld van de dochtervennootschap. Het arrest van uw Raad beantwoordde de vraag ontkennend, en sprak daarbij van ‘het in art. 53 Fw Pro neergelegde, essentiële vereiste dat de schuldenaar tevens schuldeiser van de gefailleerde moet zijn om zich op verrekening te kunnen beroepen’; uitbreiding van de verrekeningsbevoegdheid van de Ontvanger ten opzichte van art. 53 Fw Pro, zou ten koste zou gaan van de gerechtvaardigde belangen van de schuldeisers van de gefailleerde moedermaatschappij.
Wilderink q.q./Ontvangerniet overtuigend. Het arrest betrof niet een contractuele uitbreiding van de verrekeningsbevoegdheid, maar de omgrenzing van de wettelijke verrekeningsbevoegdheid van de Ontvanger. Dat die bevoegdheid binnen de grenzen van art. 53 Fw Pro diende te blijven, waar niet bleek dat de wetgever dit anders had gewild, [23] spreekt min of meer vanzelf. Dat in
ditverband het wederkerigheidsvereiste door uw Raad ‘essentieel’ is genoemd, is mijns inziens nog geen reden om het van dwingend recht te beschouwen. Hoe dan ook zijn de hiervoor onder 3.7 e.v. besproken argumenten in tegengestelde zin mijns inziens van veel meer gewicht.
Wilderink q.q./Ontvangerdoet, onjuist is, dan wel ’s hofs arrest in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Deze klachten missen zelfstandige betekenis ten opzichte van de klacht van het eerste subonderdeel.
Wilderink q.q./Ontvangerhet karakter draagt van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, omdat door geen van partijen op dat arrest een beroep was gedaan. Die klacht gaat uiteraard niet op. Indien de rechtsopvatting waarvan de rechter in zijn uitspraak is uitgegaan (zoals we in dit verband moeten veronderstellen:) juist is, wordt die opvatting niet alsnog onjuist op de grond dat het volgens de rechter beslissende argument door partijen niet onder ogen was gezien. De rolverdeling in het burgerlijk proces is integendeel zo dat de rechter steeds aan de juiste rechtsopvatting gebonden blijft, ongeacht het standpunt dat partijen innemen (vergelijk art. 25 Rv Pro). [24]