Betrokkene, geboren in 1972, was onvrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een voorlopige machtiging en kreeg op 4 december 2018 voorwaardelijk ontslag. De officier van justitie verzocht vervolgens om een voorwaardelijke machtiging tot opname en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op basis van een geneeskundige verklaring waarin een bipolaire stoornis met manisch psychotisch toestandsbeeld werd vastgesteld.
De rechtbank Midden-Nederland verleende op 10 januari 2019 de voorwaardelijke machtiging tot 10 juli 2019, omdat betrokkene een gevaar vormde voor zichzelf en anderen, en dit gevaar alleen door naleving van voorwaarden buiten het ziekenhuis kon worden afgewend. Betrokkene stelde in cassatie dat het oordeel over het gevaar onbegrijpelijk was en onvoldoende gemotiveerd, mede gezien het incident waarbij zij vanaf de 7e verdieping fruit naar een buurman gooide.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht de geneeskundige verklaring heeft gevolgd en dat het risico op een nieuwe manische episode met ontremd gedrag voldoende aannemelijk is. De rechtbank hoefde niet in te gaan op eerdere behandelperioden waarin geen fysiek geweld voorkwam. Ook is het oordeel dat de machtiging noodzakelijk is om naleving van voorwaarden te waarborgen, voldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen.