ECLI:NL:PHR:2019:634

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2019
Publicatiedatum
14 juni 2019
Zaaknummer
19/01226
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426 lid 1 RvArt. 426a lid 1 RvArt. 426a lid 2 RvArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening en ontbreken advocaatsondertekening

Deze zaak betreft een echtscheidingsprocedure tussen de man en de vrouw. De rechtbank Midden-Nederland sprak op 31 oktober 2017 de echtscheiding uit, welke beschikking op 1 november 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd bekrachtigd.

De man gaf bij brief van 31 januari 2019 aan cassatie te willen instellen, maar deze brief werd pas op 4 februari 2019 ontvangen door de griffie van de Hoge Raad, na de wettelijke termijn van drie maanden. Bovendien was het verzoekschrift niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 426a lid 1 Rv.

De griffie wees de man hierop en verzocht hem binnen twee weken te laten weten of hij de zaak wilde voortzetten. De man vroeg later om uitstel om alsnog een advocaat te zoeken, maar dit werd geweigerd. De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet tijdig is ingesteld en niet voldoet aan de vereisten van art. 426a Rv, waardoor de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De Hoge Raad benadrukt dat het verzoekschrift niet per e-mail kan worden ingediend en dat de termijn strikt wordt gehanteerd. Ook het ontbreken van een omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt, draagt bij aan de niet-ontvankelijkheid. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en ontbreken van advocaatsondertekening.

Conclusie

Zaaknr: 19/01226 mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 12 april 2019 Conclusie (art. 80a RO) inzake:
[de man]
tegen
[de vrouw]
1. Deze zaak betreft een echtscheidingsprocedure tussen verzoeker tot cassatie (hierna: de man) en verweerster in cassatie (hierna: de vrouw).
2. De rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft bij beschikking van 31 oktober 2017 - voor zover van belang - de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. Bij beschikking van 1 november 2018 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - voor zover thans van belang - die beschikking bekrachtigd.
3. Bij brief met bijlage van 31 januari 2019, die op 4 februari 2019 door de griffie van de Hoge Raad is ontvangen, heeft de man te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen de beschikking van het hof. Bij e-mailbericht aan de Hoge Raad van 1 februari 2019 heeft de man een gelijkluidende mededeling gedaan [1] .
4. Bij aangetekende brief van 5 februari 2019 heeft de griffie van de Hoge Raad allereerst de ontvangst van de onder 3 genoemde brief en genoemd e-mailbericht bevestigd. Verder is de man erop gewezen dat zijn verzoek tot cassatie niet is ingediend op de wijze zoals voorgeschreven in art. 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), te weten door tijdige indiening onder aanwijzing van een advocaat bij de Hoge Raad die hem in het geding zal vertegenwoordigen, alsmede dat het cassatieverzoek geen middelen behelst waarop het beroep steunt. Ook is de man er in deze brief op gewezen dat hij, indien hij het cassatieverzoek voortzet, een gerede kans loopt door de Hoge Raad niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep en dat hij bij het voortzetten van zijn cassatieberoep griffierecht (€ 336,--) verschuldigd is. Tot slot is de man verzocht om binnen twee weken na verzending van deze brief mede te delen of hij zijn zaak bij de Hoge Raad wil voortzetten.
5. Bij e-mailbericht aan de Hoge Raad van 12 februari 2019 heeft de man om een bevestiging verzocht, omdat hij nog geen reactie had ontvangen. Bij e-mailbericht van 13 februari 2019 heeft de griffie van de Hoge Raad geantwoord dat de brief van 31 januari 2019 is beantwoord bij aangetekende brief van 5 februari 2019. Bij e-mailbericht aan de Hoge Raad van 13 februari 2019 (13:42 uur) heeft de man medegedeeld dat hij de brief inmiddels heeft ontvangen en gevraagd of er een mogelijkheid zou zijn voor langer uitstel om alsnog een cassatieadvocaat te zoeken voor een cassatieadvies.
6. Bij e-mailbericht van 26 februari 2016 heeft de griffie van de Hoge Raad, zakelijk weergegeven, de man verzocht per omgaande mede te delen of hij zijn zaak bij de Hoge Raad wil doorzetten of intrekken en er andermaal op gewezen dat hij bij het doorzetten van de zaak een gerede kans loopt om niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep en dat hij bij het doorzetten van de zaak griffierecht verschuldigd is.
Daarop heeft de man bij e-mailbericht van 4 maart 2019, kort weergegeven, gevraagd om ‘het verzoekschrift in de wachtstand te zetten’ tot hij meer weet van de zaak en medegedeeld dat deze zaak voor hem te belangrijk is om op voorhand in te trekken.
Bij aangetekende brief van 7 maart 2019 heeft de griffie van de Hoge Raad, kort weergegeven, medegedeeld dat het niet mogelijk is om de zaak in de wachtstand te plaatsen en dat de zaak wordt doorgestuurd aan het Parket voor het nemen van een conclusie.
7. In deze zaak is in de eerste plaats niet tijdig cassatieberoep ingesteld.
De termijn waarbinnen beroep in cassatie kan worden ingesteld is ingevolge art. 426 lid 1 Rv Pro drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Bij beantwoording van de vraag of het cassatieberoep tijdig is ingesteld, gaat het niet om de dag waarop het verzoekschrift is verzonden, maar om de dag waarop het op de griffie is binnengekomen. Een verzoekschrift tot cassatie kan niet door middel van toezending per e-mail worden ingediend [2] ; het huidige Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden [3] voorziet niet in die mogelijkheid.
De laatste dag waarop beroep in cassatie kon worden ingesteld, was vrijdag 1 februari 2019. De op 31 januari 2019 gedagtekende brief van de man is op 4 februari 2019, en dus buiten de termijn van art. 426 lid 1 Rv Pro, op de griffie van de Hoge Raad ingekomen [4] .
8. Overigens wijs ik op het volgende.
In art. 426a lid 1 Rv is bepaald dat het beroep in cassatie tegen een beschikking wordt aangebracht bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad en ingediend bij de griffie van de Hoge Raad [5] . In art. 426a lid 2 Rv is vervolgens bepaald dat het verzoekschrift de omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt, behelst.
Het op 4 februari 2019 ingekomen ‘verzoekschrift’ is ondertekend en ingediend door de man zelf en voldoet daarom niet aan deze eis van art. 426a lid 1 Rv. Een dergelijk verzuim kan volgens vaste rechtspraak worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad [6] . Zelfs al zou de man hiertoe zijn overgegaan, dan geldt nog dat het ‘verzoekschrift’ geen omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt, bevat, en daarom ook niet voldoet aan de eis van art. 426a lid 2 Rv.
9. Het voorgaande brengt mee dat de man in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De conclusie strekt dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Daarnaast heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij brief van 5 februari 2019 een aan het hof gerichte brief van 31 januari 2019 - die blijkens de daarop geplaatste datumstempel op 4 februari 2019 door de griffie van het hof is ontvangen - en e-mailbericht van 1 februari 2019 van de man doorgestuurd, waarin de man aan het hof te kennen heeft gegeven dat hij beroep instelt tegen de uitspraak van 1 november 2018.
2.Vgl. HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3614, NJ 2016/36.
3.Dit procesreglement is te raadplegen op https://www.hogeraad.nl/Reglementen/procesreglement-hoge-raad-der-nederlanden.
4.Ook de aan het gerechtshof gerichte brief van de man van 31 januari 2019 is, blijkens de daarop geplaatste datumstempel op 4 februari 2019, na afloop van de cassatietermijn door de griffie van het hof is ontvangen. Er is dan ook geen sprake van een geval als bedoeld in HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2416, NJ 2012/198 m.nt. H.B. Krans.
5.In art. 426a Rv staat: ‘(…) ingediend bij deszelfs griffie.’
6.Zie o.m. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders en HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2311, NJ 2019/22.