Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Vordering inboedel
mr. Bos , advocaat van de vrouw:
mogelijkis. [6] Ook kan blijkens de passage met het instellen van cassatieberoep worden gewacht totdat in de einduitspraak een inhoudelijke beslissing is gegeven. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat cassatieberoep tegen de tussenbeschikking van 5 oktober 2017 kon worden ingesteld tegelijk met het cassatieberoep tegen de eindbeschikking van 7 juni 2018. De man kan derhalve worden ontvangen in zijn cassatieberoep tegen de beschikking van 5 oktober 2017.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
punt 1een beschrijving van de kern van de zaak en een overzicht van de feiten zoals gesteld in het verzoekschrift tot herroeping. Onder
punt 2worden verschillende klachten geformuleerd die hierna zullen worden aangeduid als onderdelen.
2.1.0 en 2.1.1bevatten geen klacht.
Onderdeel 2.1.2neemt met juistheid tot uitgangspunt dat het hof in rov. 3.4 (slot) heeft geoordeeld dat is voldaan aan het vereiste voor herroeping als bedoeld in art. art. 382, aanhef en onder b, Rv. Het onderdeel klaagt dat het hof in de rechtsoverwegingen 3.3 t/m 3.5 en vervolgens in het dictum miskent dat, indien een partij nog in het geding zelf de valsheid met alle middelen rechtens aan de orde kan stellen, aan het vereiste van “na de uitspraak” [7] niet is voldaan. Het onderdeel stelt dat uit (i) de beschikking van het hof van 1 oktober 2015, hiervoor weergegeven in 1.2, (ii) de stellingen van de vrouw in het verzoekschrift tot herroeping [8] en (iii) grief 4 in het verweerschrift tevens inhoudende incidenteel hoger beroep van 4 februari 2015 volgt dat de vrouw destijds ten tijde van het hoger beroep bekend was met de valsheid van de overeenkomst, dat dit in die procedure ook onderwerp van debat is geweest [9] en dat daarop volgens de vrouw zelf [10] ook is beslist. Uit de inhoud van grief 4 in combinatie met de daarbij overgelegde productie 12 [11] waren er volgens het onderdeel voldoende aanknopingspunten voor de vrouw om de valsheid van de overeenkomst in de hoofdprocedure te bewijzen. Nu gesteld noch gebleken is dat dit
nietmogelijk was en derhalve niet is voldaan aan de voorwaarde “dat het bedrog of de valsheid
nade uitspraak bekend moet zijn geworden en dus niet meer in het geding zelf aan de orde kon worden gesteld”, heeft het hof volgens het onderdeel de vrouw in zijn tussenbeschikking van 5 oktober 2017 ten onrechte in haar verzoek tot herroeping ontvankelijk verklaard en de zaak heropend.
als gevolg vaneen van de in die gronden omschreven feiten in enig opzicht niet deugt. Een vordering tot herroeping heeft aldus tot grondslag “het niet deugen van een feitelijke vaststelling of beoordeling in de uitspraak waartoe de rechter is gekomen, zich volgens het geldende procesrecht richtend op hetgeen partijen omtrent de feiten hebben aangevoerd.” [14]
een processueel causaal verbandmoet zijn tussen de als grond voor herroeping aangewezen gedragingen of feiten en de als gevolg daarvan in twijfel getrokken juistheid van de in de uitspraak aangenomen feiten althans van de totstandkoming van het desbetreffende oordeel en vervolgens tussen de aldus in twijfel getrokken feiten en de daarop genomen beslissing. Als de feiten en omstandigheden die grond kunnen opleveren voor herroeping in het gegeven geval van dien aard waren dat gezegd kan worden dat zij de (totstandkoming van de) beslissing daadwerkelijk hebben beïnvloed, dan is het vereiste verband gegeven. [16]
en daarop is beslist, een vordering tot herroeping te dezer zake in ieder geval niet meer openstaat. Of er sprake is geweest van relevant bedrog dan wel de niet-overlegging van het origineel gerechtvaardigd was, staat dan immers tussen de daarbij betrokken partijen bij gewijsde vast. [19]
voldoende mogelijkis geweest. [20]
Het voorafgaande brengt mee dat, als in het oorspronkelijke geding wel een beroep op de valsheid is gedaan en daarop is beslist, een vordering tot herroeping te dezer zake in ieder geval niet meer openstaat. De al dan niet valsheid van de betrokken stukken staat dan immers tussen partijen bij gewijsde vast.”
De achterliggende gedachte is dat de partij die het bedrog nog vóór de uitspraak heeft ontdekt, de mogelijkheid heeft dit nog tijdig ter kennis van de rechter te brengen. Dit brengt mee dat niet meer van het door art. 382 Rv Pro vereiste voldoende verband kan worden gesproken als de belanghebbende in de desbetreffende instantie heeft nagelaten gepleegd bedrog althans de feiten die de ander beoogde aldus ingang te doen vinden, te ontzenuwen of te controleren. Van de partij die herroeping vordert, mag worden verwacht dat zij uitlegt waarom zij de kwestie niet eerder, met name destijds in de desbetreffende instantie (of appel), aan de orde heeft gesteld, bijvoorbeeld dat zij met het bedrog niet eerder bekend was of dat zij zich, vanwege een andere omstandigheid waarvoor zij niet het procesrisico draagt, niet heeft kunnen verweren. Zie in dit verband echter ook aant. 16.4. Dezelfde achterliggende gedachte (correctie is nog mogelijk in het eigenlijke geding) brengt ook mee dat de eis van ontdekking ‘na de uitspraak’ onvoldoende zuiver is. Het debat is immers gesloten (…) vanaf het moment dat de rechter heeft meegedeeld binnen welke termijn hij (eind)vonnis zal wijzen (vgl. art. 129 Rv Pro). Juister is dan ook te spreken van ontdekking na vonnisbepaling.”
apert onbehoorlijk gedrageen minder zware onderzoeksplicht hoort (onderstreping mijnerzijds, A-G):
niet(expliciet) wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat het hiervoor in 2.5 beschreven processueel causaal verband ontbreekt.
op dit puntdat het hof de procedure ook heeft heropend. Gezien voornoemde stellingen zou op goede gronden kunnen worden betoogd dat de man als het ware in een gedeeltelijke herroeping heeft berust en dat hij er daarom thans in cassatie niet over kan klagen dat het hof de procedure gedeeltelijk heeft heropend.
preciesheeft aangevoerd omtrent (de wetenschap met betrekking tot) het bedrog van de man en wat het precieze verweer van de man op dat punt was. In de procesinleiding wordt weliswaar het verweer van de man op het incidenteel hoger beroep van de vrouw in hoger beroep weergegeven (hiervoor weergegeven in voetnoot 9), bij afwezigheid van dit processtuk in het procesdossier kan ik niet nagaan of de geciteerde passage daadwerkelijk steun vindt in dat verweerschrift. Uit de geciteerde passage kan worden afgeleid dat de man heeft betwist dat sprake is van een vervalsing van de koopovereenkomst. Daarbij wordt aangestipt de vraag of de handtekening op de koopovereenkomst van [de koper] (de “koper”) afkomstig is. Het arrest van de strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 3 mei 2016, waarnaar het hof verwijst in rov. 3.4 van de bestreden beschikking van 5 oktober 2017, heb ik niet aangetroffen in de overgelegde stukken. Uit de stellingen van de vrouw in het verzoekschrift tot herroeping (punt 21) leid ik af dat de man niet de koopakte heeft vervalst in die zin dat de handtekening van de “koper”, [de koper] , vals is, doch dat laatstgenoemde bewust heeft meegewerkt aan de valse transactie en ermee bekend was dat het een
fictieveovereenkomst zou zijn.
geenoordeel gegeven. Van gezag van gewijsde kan dan ook niet worden gesproken. Als ik de wel overgelegde stukken goed begrijp was het in de procedure bij zowel de rechtbank als het hof nog vrij vaag wat er precies aan de hand was met de koopovereenkomst tussen de man en [de koper] . De (impliciete) stelling in onderdeel 2.1.2 dat de vrouw in hoger beroep de valsheid “met alle middelen rechtens” aan de orde kon stellen, acht ik in zoverre niet aannemelijk. Dit was kennelijk tamelijk lastig nu blijkens de stellingen van de vrouw, naar ik die begrijp, van een valse handtekening van [de koper]
geensprake was. Nu er kennelijk ook in hoger beroep veel onduidelijkheid bestond over de al dan niet valsheid van de koopakte zou het instellen van cassatieberoep tegen de eindbeschikking van 1 oktober 2015 op het punt van de gestelde vervalsing vermoedelijk niet succesvol zijn geweest. Eerst ná de eindbeschikking is daadwerkelijk komen vast te staan dat er van een valse koopakte sprake was, vals in die zin dat de handtekeningen weliswaar door de koper en verkoper waren gezet, doch dat hetgeen in de akte stond vermeld, niet juist was. Kennelijk was het voor de vrouw redelijkerwijs niet mogelijk om in de feitelijke instanties aan te tonen dat sprake is geweest van bedrog door de man (en [de koper] ). Indien dit wel het geval was geweest dan had zij ongetwijfeld (meer) actie ondernomen. Met Von Schmidt auf Altenstadt meen ik dat een vordering tot herroeping in een dergelijk geval open staat (zie het hiervoor in 2.11 weergegeven citaat). Voor zover de onderdelen al feitelijke grondslag hebben in de gedingstukken, meen ik dat zij alle hierop afstuiten.