Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Doelstellingen
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onderdelen 1 tot en met 6richten zich alle tegen rechtsoverweging 2.4 van het eindarrest. Die overweging luidt:
onderdeel 7heeft het hof ten onrechte onbesproken gelaten het betoog van [eiseres] bij memorie na deskundigenbericht onder 5-8, volgens welke de (tweede) deskundige ten onrechte ervan is uitgegaan dat zij niet een directe inkomensdoelstelling had. Volgens de klacht is het belang hiervan dat onjuist is de constatering van de deskundige dat het passend was om meer risicovolle beleggingen in de portefeuille op te nemen en dat het zogenoemde life-cyclebeginsel niet direct van toepassing was.
bestanddeelstaatsobligaties en investment-grade-obligaties in de beleggingsportefeuille van [eiseres] stabiel is gebleven. [eiseres] veronderstelt dat het hof een en ander heeft verward. Onder B veronderstelt [eiseres] dat het hof zijn vaststelling heeft gebaseerd op de opmerking van de deskundige dat staatsobligaties dienen te worden beschouwd als ‘de solide basis van een obligatieportefeuille’. Dit zegt volgens haar niets over het waardeverloop. Onder C veronderstelt [eiseres] ten slotte dat het hof is afgegaan op het waardeverloop van (enkel) de 5% Nederlandse staatsobligatie volgens figuur 16 in het rapport van de (tweede) deskundige (p. 15). Uit die figuur volgt dat deze staatsobligatie in waarde is gestegen. De figuur zegt niets over het waardeverloop van andere soorten staatsobligaties, laat staan van investment-grade-obligaties.
kwaliteitvan het bestanddeel ‘overige obligaties’. In het rapport van de (tweede) deskundige – door het hof in rechtsoverweging 2.2 weergegeven – leest [eiseres] dat het bestanddeel ‘overige obligaties’ zowel kwalitatief als kwantitatief onvoldoende was. Het hof heeft alleen met de kwantiteit wat gedaan en niet ook met de kwaliteit, wat volgens [eiseres] zonder motivering onbegrijpelijk is (het onderdeel onder A). Ook is het hof afgeweken van de bevindingen van de deskundige zonder inzicht te bieden in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang (het onderdeel onder B).
4.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
altijdgepaard gaat met een beperkte risicoacceptatie, maar dat kan uit dat voorstel niet worden afgeleid (sub-subonderdeel 1.2.3).
secundairwas. [13] Dat er in de periode waarin [A] voor [eiseres] het vermogensbeheer voerde, onvoldoende rendement was om naast de primaire cashflowdoelstelling ook de secundaire groeidoelstelling te realiseren, is uiteraard iets anders dan dat de 2% groeidoelstelling
zonder meeronverenigbaar zou zijn met de primaire doelstellingen van inkomensvoorziening en vermogensbehoud. Er is geen enkele reden om een oordeel in die zin in het eindarrest te lezen.
onderdeel 3.
gekendenon-conformiteit uit vrije wil niets onderneemt. [14] Zonder kennis van de non-conformiteit zal de belegger, in de woorden van De Serière, er immers op mogen vertrouwen dat de vermogensbeheerder zijn werk naar behoren verricht en geen bijzondere oplettendheid behoeven te betrachten. [15]
diezin is in de zojuist weergegeven stellingen van [A] immers niet te lezen.