Conclusie
1.Inleiding
2.De bewezenverklaring
3.Het verweer ten overstaan van het hof
4.De bewijsoverwegingen van het hof
5.Het eerste middel
Bespreking van de (bewijs)verweren
voorafgaandgepleegd misdrijf. De hawala-bankier die gelden in ontvangst neemt om deze door te geleiden pleegt weliswaar een economisch misdrijf (het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener) maar dat is niet zonder meer hetzelfde als witwassen. Hawala-bankieren kan immers plaatsvinden met zowel legaal geld als met uit misdrijf verkregen geld. Er is pas sprake van witwassen als er voldoende aanwijzingen zijn dat de hawala-bankier ook weet of had moeten weten dat het geld een criminele herkomst heeft. Tot dusver zitten het hof en de verdediging op één lijn. Het hof heeft op grond van de verklaring van [betrokkene 6] , aangenomen dat het ging om geld afkomstig van een (fiscaal) misdrijf, maar overweegt vervolgens dat het zich voor de vraag gesteld ziet of de verdachte dit wist, dan wel moest weten.
6.Het tweede middel
tweede middelwordt geklaagd dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden.