Conclusie
eerste middelvalt in een drietal klachten uiteen. Geklaagd wordt dat de rechtbank verzuimd heeft de officier van justitie te bevelen de op de beklagzaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Ook wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat de (voortzetting van de) inbeslagneming een strafvorderlijk belang dient, terwijl niet is vastgesteld dat de klaagster wordt verdacht van enig strafbaar feit dan wel strafrechtelijk wordt gevolgd en ook niet blijkt dat sprake is van een zogenaamd ‘derdenbeslag’. Tot slot wordt geklaagd dat de beslissing van de rechtbank waarbij het beklag ongegrond is verklaard onvoldoende met redenen is omkleed.
De rechter deelt mede dat uit het procesdossier onder meer het volgende blijkt:
De officier van justitie voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:
De raadsman voert – zakelijk weergegeven – als volgt het woord ter verdediging:
De officier van justitie repliceert als volgt:
De raadsman dupliceert als volgt:
2. Beoordeling
De rechtbank overweegt het volgende.
kanworden”, volgens de Hoge Raad niet door de beugel. [4]
tweede middelbevat de klacht dat de rechtbank verzuimd heeft de belanghebbende in de gelegenheid te stellen om gehoord te worden en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen.