Conclusie
- 319 dagen jeugddetentie, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27, eerste lid, Sr en daarbij algemene en bijzondere voorwaarden gesteld, en
Daarnaast heeft het hof de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd voor een periode van twee jaren, met het bevel dat vervangende jeugddetentie zal worden opgelegd voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, een week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van drie maanden.
eerste middelklaagt over de ontoereikende bewijsconstructie van de bewezenverklaarde opzettelijke brandstichting in de zaak met parketnummer 09/787001-17 en de ontoereikende wijze waarop het hof heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat betrekking had op de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen.
tweede middelheeft betrekking op de motivering van de opgelegde straf en klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en/of dat de motivering van de aan de verdachte “opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf – voor zover het betreft het onvoorwaardelijke deel” onbegrijpelijk is. Waar het middel naar de letter betrekking heeft op de opgelegde “gevangenisstraf”, heb ik dat opgevat als “jeugddetentie”.
Strafmotivering
in beginselaangewezen acht, echter dat het in het belang van de toekomst van rekwirant en gelet op de voorzichtige stijgende lijn die hij in zijn leven doormaakt, in de rede ligt het onvoorwaardelijk deel ‘redelijk beperkt te houden’ en dat aan de verdachte een (laatste) kans “wordt geboden om in plaats van een detentiestraf een werkstraf uit te voeren”, hetgeen ertoe lijkt te strekken dat het hof aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie heeft willen opleggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De motivering van het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie is daarmee onbegrijpelijk en/of is in strijd met artikel 359, zesde lid, Sv, omdat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die de opgelegde jeugddetentie hebben bepaald.
voorlopigetenuitvoerlegging van de jeugddetentie die op grond van artikel 77cca Sr na de aanhouding van de verdachte reeds heeft plaatsgevonden, op de straf waarvan de rechter de tenuitvoerlegging gelast. [6]