Conclusie
Het tweede middel klaagt dat met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de uitoefening van het gezag door de vader door het buiten diens invloedssfeer brengen van het zoontje onmogelijk was geworden.
Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte “plegen” heeft bewezenverklaard nu uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte alle subjectieve en objectieve bestanddelen van de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Het vierde middel klaagt dat het hof de bewezenverklaarde feiten als in ‘meerdaadse samenloop’ begaan heeft aangemerkt in plaats van het onder 1 bewezenverklaarde feit aan te merken als een voortgezette handeling van het onder 2 bewezenverklaarde feit.
Het vijfde middel klaagt over de strafmotivering van het hof.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
als verklaring van [slachtoffer] :
aanvulling op de aangifte van [slachtoffer]’ opgenomen op p. 90 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015145064 Z, d.d. 1 juli 2015 van de Politie Noord-Nederland, inhoudende – zakelijk weergegeven - :
uittreksel uit het gezagsregister d.d. 15 april 2015, betreffende [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats 1] , (p. 96), voor zover inhoudende:
beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht d.d. 12 februari 2013in de zaak van [slachtoffer] , verzoeker, hierna te noemen de man, en [verdachte] , verweerster, hierna te noemen de vrouw, in de zaak met nummer C/18/122448/FA RK 10-2673 (p. 123 e.v.), voor zover inhoudende:
beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht d.d. 2 april 2015in de zaak met nummer C/18/155090/JE RK 15-141 en C/18/155312/FA RK 15-713 (p. 78 e.v.), voor zover inhoudende:
Beschikking machtiging uithuisplaatsing en schorsing van het ouderlijk gezag
Raad van de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,
De feiten
De beoordeling
beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, afdeling civiel recht d.d. 9 augustus 2016, inzake [verdachte] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen de moeder, in de zaak met nummer 200.194.526/01 (een kopie van deze beschikking is aangehecht).
verhoor op vrijdag 13 maart 2015(pagina 49 e.v.) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van verdachte:
Bespreking van de middelen
eerste middelbevat de klacht dat het hof met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, Groningen als pleegplaats heeft aangemerkt, nu sprake is van een in Nigeria gepleegd omissiedelict.
tweede middelbevat de klacht dat het onder 2 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daaruit kan immers niet volgen dat de uitoefening van het gezag door de vader door het feitelijk buiten diens invloedssfeer brengen onmogelijk was geworden.
derde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte ‘plegen’ heeft bewezenverklaard, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat verdachte alle subjectieve en objectieve bestanddelen van het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, nu het laten verblijven (feit 1) en het feitelijk buiten de invloedsfeer van de vader brengen (feit 2) gepleegd is door de moeder van verdachte.
- verdachte er steeds meer van overtuigd raakte dat het beter was voor haar middelste zoontje als hij in Nigeria zou opgroeien;
- verdachte op woensdag 11 maart 2015 besloot dat het zoontje naar Nigeria moest en dat hij op 12 maart 2015 is gaan vliegen;
- verdachte het ticket voor haar zoontje heeft gekocht;
- verdachte haar zoontje met haar moeder naar Nigeria heeft laten vliegen;
- verdachte niet tegen de vader en/of de school had verteld dat het zoontje naar Nigeria zou vliegen;
- zij de vader en de school wel regelmatig had gezegd dat als zij het zoontje niet fatsoenlijk zouden behandelen verdachte hem naar Nigeria zou laten gaan;
- het zoontje inmiddels niet meer naar de lagere school gaat in Nigeria, maar naar de middelbare school;
- de middelbare school een kostschool is;
- de lagere school een dagschool was en het zoontje toen bij haar ouders sliep in Nigeria.
vierde middelbevat de klacht dat het hof de bewezenverklaarde feiten als in meerdaadse samenloop begaan heeft aangemerkt in plaats van het bewezenverklaarde onder 1 aan te merken als een voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr Pro van het ‘onttrekken’ als onder 2 bewezenverklaard.
vijfde middelklaagt over de strafmotivering van het hof. Het hof heeft bij de oplegging van drie jaar gevangenisstraf ten onrechte rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte ‘niet eenduidig en consistent heeft verklaard over haar bedoeling, over de verblijfplaats van [betrokkene 1] en de bedoeling van zijn verblijf aldaar’, aangezien onduidelijk is in vergelijking met welke verklaringen volgens het hof verdachte niet eenduidig en niet consistent zou hebben verklaard. Het hof heeft voorts verzuimd te responderen op een namens verdachte gevoerd strafmaatverweer, althans uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat verdachte vanwege haar zwangerschap en diabetes minder geschikt is voor detentie.
Het hof stelt voorts vast dat verdachte niet eenduidig en consistent heeft verklaard over haar bedoeling, over de verblijfplaats van [betrokkene 1] en de bedoeling van zijn verblijf aldaar.
Het onttrekken van [betrokkene 1] aan het ouderlijk gezag van de vader levert een grove rechtsschending op. Bovendien zijn de gevolgen van een dergelijke schending zeer ingrijpend. De één moet door het leven zonder zijn kind en de ander mist de zorg van zijn vader. Dit moet voor beiden moeilijk te bevatten zijn. Verdachte heeft door haar handelswijze niet alleen het leven van [betrokkene 1] maar ook dat van zijn vader en broertjes ernstig ontwricht. Daarnaast, zo heeft het hof ter terechtzitting geconstateerd, valt uit hetgeen verdachte heeft verklaard in het geheel geen spijtbetuiging te ontwaren, maar volhardt verdachte in haar eigen visie en interpretatie van haar handelen waarbij zij de juridische onjuistheid van haar handelen op geen enkele wijze in ziet.
Het hof zal deze bijzondere voorwaarde echter niet opleggen reeds vanwege het feit dat het hof onvoldoende bekend is met de huidige feitelijke en juridische situatie in Nigeria en de gegevens die aldaar van en over [betrokkene 1] beschikbaar zijn. Het hof wil - hoe dan ook - voorkomen dat een bijzondere voorwaarde als gevorderd mogelijk zelfs een tegengesteld effect zou kunnen creëren. Bovendien ziet het hof onvoldoende concrete mogelijkheid om de naleving van een dergelijke bijzondere voorwaarde te controleren.