Conclusie
1.De feiten
run offen om uiterlijk eind 2014 te melden of concreet zicht bestond op een overname. Tegen de in 1.3., 1.4. en 1.5. genoemde besluiten zijn geen (inhoudelijke) bezwaarschriften ingediend.
Day Onerapportage waaruit bleek dat Conservatrix niet voldoet aan het minimumkapitaal-vereiste, was Conservatrix verplicht om een financieel kortetermijnplan bij DNB in te dienen. Nu vast is komen te staat dat Conservatrix dit niet heeft gedaan, is DNB wettelijk verplicht om de vergunning in te trekken.”
Confirmation Letter, gedateerd 17 maart 2017, van Trier Holding B.V. (hierna: Trier) strekt ertoe dat alle door Conservatrix uitgegeven aandelen in haar kapitaal na rechterlijke goedkeuring en door het uitspreken van de overdrachtsregeling worden overgedragen aan Trier tegen betaling door Trier aan Conservatrix Groep van EUR 1,00.
2.Het procesverloop
16vermeldt.
Confirmation Lettervoldoet aan de voorschriften (a) en (b) van laatstbedoeld artikel. De door DNB overgelegde
Confirmation Lettervermeldt ook de prijs die de overnemer (Trier) bereid is te betalen. De door DNB overgelegde
Confirmation Lettervermeldt niet, althans niet met zoveel woorden, op grond waarvan deze prijs wordt geacht een redelijke prijs te zijn. DNB gaat op dat punt in het verzoekschrift - dat zij, naar de rechtbank begrijpt, in elk geval in zoverre beschouwt als onderdeel van het overdrachtsplan - nader in. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet DNB aldus minst genomen aan de geest van het bepaalde in artikel 3:159r Wft. Bezwaren tegen de door DNB gevolgde weg zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank ziet in die weg dan ook geen grond tot onthouding van haar goedkeuring.
margin of appreciation) toekomt. De wetgever heeft de beoordeling van de rechtbank in een concreet geval met zoveel woorden beperkt tot de in artikel 3:159ij Wft bedoelde elementen. Anders dan Conservatrix Groep heeft aangevoerd, is het dus niet aan de rechtbank te beoordelen of de verzochte maatregel het algemeen belang dient.
zijn er, naar summierlijk blijkt, ten aanzien van Conservatrix tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit of de technische voorzieningen?) overweegt de rechtbank als volgt.
ontwikkelingzijn. (...) Ook wanneer de probleeminstelling zich beweegt in de richting van een noodlot, maar dat noodlot zich nog niet heeft voltrokken, kunnen de overdrachtsregeling, de noodregeling en het faillissement reeds worden uitgesproken.
tekenenvan een ontwikkeling zijn. Met deze formulering wordt beoogd een versoepeling aan te brengen in het element “ontwikkeling”. DNB behoeft niet tot het oordeel te komen dat er daadwerkelijk een ontwikkeling is; het is al voldoende dat DNB oordeelt dat er tekenen van een ontwikkeling zijn. De overdrachtsregeling, de noodregeling en het faillissement zullen alleen dan niet kunnen worden uitgesproken indien niet summierlijk blijkt dat bedoelde tekenen er zijn”.
Day Onerapportage die Conservatrix op 20 mei 2016 heeft ingediend bij DNB, is gebleken dat Conservatrix ook onder Solvabiliteit II kampt met een structureel solvabiliteitstekort. Op 1 januari 2016 komt de solvabiliteitsratio uit op bijna 26%. Eind 2016 is de aanwezige solvabiliteit ook weer negatief, aldus DNB, die erop wijst dat het gaat om substantiële bedragen.
(is, naar summierlijk blijkt, redelijkerwijs te voorzien dat de gevaarlijke ontwikkeling met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit of de technische voorzieningen van Conservatrix niet voldoende of niet tijdig ten goede zal keren?)overweegt de rechtbank als volgt.
en blocwijziging van polisvoorwaarden. Dit alternatief biedt in de visie van DNB echter geen reële oplossing omdat dit de rechten van polishouders tot een onaanvaardbaar niveau zou uithollen, ten gunste van een aandeelhouder die zelf niet bereid is bij te storten. Ook de Raad van Bestuur van Conservatrix beschouwt het louter inzetten van de
en blocclausule niet als een realistisch alternatief.
due diligenceonderzoek hebben gedaan.
is de in het overdrachtsplan genoemde prijs, gegeven de omstandigheden van het geval, niet een redelijke prijs?) overweegt de rechtbank als volgt.
Confirmation Letterneergelegde bod gestand doet tot (kort na) heden.
tenzij de prijs (...) niet een redelijke prijs is"), maakt de rol van de rechtbank tot een beperkte. Op de van de rechtbank op grond van artikel 3:159v Wft verlangde “meeste spoed” is aan het slot van 4.11.4 reeds gewezen. Artikel 3:159v Wft laat de rechtbank geen ruimte te beoordelen of in een concreet geval inderdaad een dergelijke spoed is aangewezen. In dat licht is het inwinnen van deskundige voorlichting door de rechtbank ten aanzien van de redelijkheid van de prijs praktisch uitgesloten, zoals bij de totstandkoming van deze wettelijke bepaling onder meer door de Raad van State ook is onderkend.
governancebij Conservatrix zal worden versterkt.
en blocclausule zal door Conservatrix zonder uitdrukkelijke toestemming van DNB niet worden aangewend.
4.Bod van Trier
5.Conclusie
6.Afhankelijkheden en Beperkingen
Confirmation Letter(“The Parties acknowledge that the transfer of the Shares to the Transferee (Trier;
rechtbank)will be effected by approval of the Court of the Transfer Plan (...)”. De rechtbank zal een en ander in het dictum tot uitdrukking brengen.
Confirmation Lettereen verplichting voor Trier oplevert waarvan door belanghebbenden nakoming kan worden gevorderd. Het is niet de taak en bevoegdheid van de rechtbank om die vraag in het kader van de onderhavige procedure te beantwoorden. Wel merkt de rechtbank op dat het de taak is van de benoemde overdrager en DNB op naleving van het overdrachtsplan toe te zien. DNB heeft er in dit verband op gewezen dat zij in dat kader (nadere) afspraken met Trier heeft gemaakt en daarnaast over het benodigde instrumentarium beschikt om ervoor te zorgen dat onder toezicht staande instellingen zich aan alle vereisten houden.
Als probleeminstelling is Conservatrix gebonden aan het overdrachtsplan, althans Conservatrix is gehouden al hetgeen te doen dan wel na te laten dat voor de uitvoering daarvan redelijkerwijs noodzakelijk is, verduidelijking door A-G]
3.Het wettelijk kader
Stb.2012, 241). [9] Deze wet werd ook wel de Interventiewet genoemd. [10]
preventievan financiële problemen bij financiële ondernemingen als banken en verzekeraars. Mogelijkheden voor de overheid om actief aan te sturen op een tijdige en ordentelijke afwikkeling van ondernemingen of op een andere uitkomst met minder maatschappelijke kosten dan een faillissement zouden goeddeels ontbreken. Het wettelijke instrumentarium zou te zeer gericht zijn op de individuele onderneming en de belangen van de individuele betrokkenen bij die onderneming. De focus op individuele belangen miskende volgens de toenmalige minister van Financiën en de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie dat
het algemeen belangdat gemoeid is met de stabiliteit van het financiële stelsel kan nopen tot ingrijpen bij een in problemen verkerende onderneming. [17]
runop een levensverzekeraar veel minder waarschijnlijk is dan een
runop een bank, vanwege het feit dat een levensverzekeraar geen direct opeisbare verplichtingen heeft, kan dit echter niet geheel worden uitgesloten. Polishouders kunnen bijvoorbeeld, ondanks een eventuele boete, om hun moverende redenen en masse hun levensverzekeringspolissen afkopen, waardoor de levensverzekeraar onmiddellijk in liquiditeitsproblemen kan komen.” [19]
altijdgrote maatschappelijke gevolgen heeft. In de memorie van toelichting staat immers het volgende:
ultimum remediumis toegepast op SNS Reaal N.V. en SNS Bank N.V. [29]
De Commissie heeft reeds aangekondigd in de nabije toekomst te willen nagaan in hoeverre dit kader voor crisismanagement ook van toepassing zou moeten zijn op andere financiële ondernemingen, zoals verzekeraars. De Commissie heeft momenteel een richtlijnvoorstel in voorbereiding. Onzeker is nog wanneer dit voorstel en daarmee de daadwerkelijke richtlijn gereed zijn[cursivering A-G].” [30]
Solvency II-richtlijn [32] regelgeving voor in moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Art. 144 lid Pro 1, laatste alinea, bepaalt het volgende:
kan bepalen’ en ‘
binnen een door de toezichthouder te stellen termijn’ duiden erop dat de toezichthouder beleidsvrijheid toekomt ten aanzien van het bepalen van de (de duur van de) termijn waarbinnen het bedrijf van de betrokken financiële onderneming geheel of gedeeltelijk moet worden afgewikkeld.
Gezien de nutsfuncties van banken en verzekeraars heeft het wetsvoorstel betrekking op deze financiële ondernemingen. Ingeval DNB van oordeel is dat een van deze financiële ondernemingen in problemen verkeert, kan zij een overdrachtsplan voorbereiden. Dit houdt in dat DNB het initiatief tot een overdracht neemt en deze regisseert. Zij zal hierbij op zoek gaan naar een overnemer[cursivering A-G]. Het overdrachtsplan kan betrekking hebben op deposito-overeenkomsten (waarvoor doorgaans middelen van het depositogarantiestelsel zullen worden aangewend), activa of passiva anders dan deposito’s, door de financiële onderneming uitgegeven aandelen of een combinatie van deze.” [38]
bank run, met de instandhouding van de publieke nutsfuncties die een bank of verzekeraar vervult en met het voorkomen dat de gevolgen van de problemen overslaan naar andere financiële ondernemingen,
voldaan isaan het vereiste dat de maatregel in het algemeen belang dient te zijn, mede gelet op de omstandigheid dat de wetgever volgens het EHRM een grote beoordelingsvrijheid in dezen heeft.
fair balance. Een inmenging mag geen individuele en onevenredige last op de betrokkene leggen. De compensatie voor de gedwongen aandelenoverdracht moet voldoende zijn. Toepassing van de overdrachtsregeling is
in beginselgeoorloofd indien summierlijk blijkt dat sprake is van een ‘gevaarlijke ontwikkeling’ in de zin art. 3:159ij lid 1 jo art. 3:159c lid 1 Wft. Het is echter mogelijk dat
in een concreet gevalkan worden geoordeeld dat niet is voldaan aan het criterium, omdat DNB minder vergaande maatregelen had kunnen nemen. Onder ‘alternatieve maatregelen’ wordt in dit verband niet alleen verstaan andere maatregelen dan een aandelenoverdracht, maar ook een aandelenoverdracht aan anderen dan de in het overdrachtsplan genoemde overnemer. Bij het vaststellen of de prijs al dan niet redelijk is, wordt uitgegaan van het te verwachten toekomstperspectief van de probleeminstelling in de situatie dat het overdrachtsplan niet wordt goedgekeurd en de overdrachtsregeling niet wordt uitgesproken. [42]
waarschijnlijk zal benaderen. Inmiddels heeft het EHRM uitspraak gedaan. Het EHRM overweegt het volgende:
B. The Court’s assessment
Scordino v. Italy(no. 1) [GC], no. 36813/97, § 78, ECHR 2006‑V and the cases cited therein), Article 1 of Protocol No. 1 contains three distinct rules: the first rule, set out in the first sentence of the first paragraph, is of a general nature and enunciates the principle of the peaceful enjoyment of property; the second rule, contained in the second sentence of the first paragraph, covers deprivation of possessions and subjects it to certain conditions; the third rule, stated in the second paragraph, recognises that the Contracting States are entitled, amongst other things, to control the use of property in accordance with the general interest. These rules are not “distinct” in the sense of being unconnected: the second and third rules, which are concerned with particular instances of interference with the right to the peaceful enjoyment of property, are to be construed in the light of the principle laid down in the first rule.
Scordino, cited above, § 93). The concern to achieve this balance is reflected in the structure of Article 1 of Protocol No. 1 as a whole, including therefore the second sentence, which is to be read in the light of the general principle enunciated in the first sentence. In particular, there must be a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised by any measure applied by the State, including measures depriving a person of his possessions (ibid.).
James and Others, cited above, § 46). Moreover, a wide margin is usually allowed to the State under the Convention when it comes to general measures of economic or social strategy (see, for example,
James and Others, cited above
,§ 46; and
National & Provincial Building Society, Leeds Permanent Building Society and Yorkshire Building Society v. the United Kingdom, 23 October 1997, § 80,
Reports1997-VII). Because of their direct knowledge of their society and its needs, the national authorities are in principle better placed than the international judge to appreciate what is in the public interest on social or economic grounds, and the Court will generally respect the legislature’s policy choice unless it is “manifestly without reasonable foundation” (ibid.).
James and Others, cited above, § 54; and
Scordino, cited above, § 94). Legitimate objectives in the “public interest”, such as those pursued in measures of economic reform or measures designed to achieve greater social justice, may call for less than reimbursement of the full market value. Furthermore, the Court’s power of review is limited to ascertaining whether the choice of compensation terms falls outside the State’s wide margin of appreciation in this domain (see
James and Others, cited above, § 54). The Court has, however, previously indicated that the taking of property without payment of an amount reasonably related to its value will normally constitute a disproportionate interference and a total lack of compensation can be considered justifiable under Article 1 of Protocol No. 1 only in exceptional circumstances (see
The Holy Monasteries v. Greece, 9 December 1994, § 71, Series A no. 301‑A; and
The former King of Greece and Others v. Greece[GC], no. 25701/94, § 89, ECHR 2000‑XII). Such exceptional circumstances arose in the case of
Jahn and Others v. Germany[GC], nos. 46720/99, 72203/01 and 72552/01, § 117, ECHR 2005‑VI, where the Court found that in the unique context of German reunification, the lack of any compensation for an expropriation of property did not upset the “fair balance” that had to be struck between the protection of property and the requirements of the general interest.” [45]
foreseeability and precision. Nu enerzijds de bevoegdheden die aan DNB worden gegeven zeer ingrijpend zijn en anderzijds DNB met de woordkeus voor ‘tekenen’ van een gevaarlijke ontwikkeling wel een zeer grote vrijheid wordt geboden, zal dat wellicht op voorhand de vraag oproepen of aan deze bepaling wel een belangenafweging ten grondslag ligt die nog als
fair kan worden aangemerkt. [46] Schild pleit er vervolgens voor om aan de goedkeuring van het overdrachtsplan door de rechtbank de eis te verbinden dat op dat moment sprake dient te zijn van een dreigende déconfiture van de financiële onderneming, althans meer dan louter ‘tekenen’ van een gevaarlijke ontwikkeling. [47]
daadwerkelijk stabiliteitsrisicois. Dat is volgens De Serière wel de Engelse, Duitse en Belgische benadering. [50] Hij merkt verder op dat het criterium van de onomkeerbaarheid (‘redelijkerwijs is te voorzien dat die ontwikkeling niet volledig ten goede zal keren’) vaag is.
tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling. Het kan niet zo zijn dat de rechter de positie van de probleeminstelling opnieuw beoordeelt; daartoe is de rechter niet geëquipeerd. Anderzijds geldt zeker bij ingrijpende overheidsinterventies als deze dat rechterlijke toetsing cruciaal is. Er dient er ook voldoende ruimte te zijn voor het zittende management en de
stakeholdersom hun eigen maatregelen te nemen c.q. hun eigen herstelprogramma uit te voeren indien de instelling in zwaar weer verzeild raakt. Dat zal de rechter mee in aanmerking willen nemen. Daarnaast is niet ondenkbaar dat de toezichthouder, die immers ook financier
in last resorten dus schuldeiser is, hier met meerdere, niet noodzakelijkerwijze gelijklopende belangen te maken heeft. Dit alles pleit voor een ruime rechterlijke toetsing, maar al met al komt het mij voor dat men hier de juiste balans tussen deze verschillende invalshoeken heeft gevonden. Daarbij past de opmerking dat de marginaliteit van de toets ook wel gerelativeerd moet worden: de bewoordingen van art. 3:159t lid 5 conceptwetsvoorstel geven de rechter uiteindelijk toch flink wat bewegingsvrijheid.” [51]
Over verzekeraars in moeilijkheden [54] het volgende over het oordeel van de rechtbank Amsterdam in de onderhavige zaak:
Conservatrix-zaak voldoende rechtsbescherming bood is nog maar de vraag. Wanneer de duur van het conflict in deze zaak en de impact in de vorm van een onteigening die het gevolg is van toepassing van de overdrachtsregeling in ogenschouw worden genomen, doet de vraag opgeld hoe gevaarlijk de ontwikkeling voor polishouders überhaupt was; het conflict sleepte zich immers al jaren voort. Ook betrof het een relatief kleine verzekeraar waardoor een besmetting van de markt weinig reëel leek, waarbij ook hier aandacht moet uitgaan naar de duur van het conflict tussen DNB en de verzekeraar.” [55]
JOR2017/200.
Stb.2015, 278. Helaas is dit overgangsregime niet aan de Wft toegevoegd, maar alleen in de implementatiewet opgenomen en daardoor moeilijk vindbaar. [60]
margin of appreciationtoekomt. De vraag is echter of een toetsing in abstracto van de verenigbaarheid van de overdrachtsregeling aan het algemeen belang artikel voldoende is. Naar mijn mening is ook de toetsing van de concrete toepassing van de overdrachtsregeling noodzakelijk. Weliswaar heeft DNB daarbij een grote
margin of appreciation, en gaat het om een summierlijke toetsing door de rechtbank, maar desalniettemin dient ook in het concrete geval een toetsing van het algemeen belang plaats te vinden. Dat lijkt ook de gedachte van de wetgever te zijn geweest. Ook in andere rechtspraak op dit gebied wordt overigens een inbreuk op het recht op eigendom in concreto aan het algemeen belang getoetst. In de huidige zaak is het algemeen belang niet op voorhand evident: Conservatrix behoort niet tot de grotere verzekeraars in Nederland en op het moment van het verzoek tot toepassing van de overdrachtsregeling was de verzekeringsportefeuille al een
closed book.” [63]
moetDNB tot afwikkeling overgaan. Het staat DNB dus niet vrij de situatie ‘nog even aan te kijken’. [75]
ex antewaardering onder meer wordt vastgesteld of de onderneming voldoet aan de voorwaarden voor afwikkeling; op basis van deze waardering wordt bepaald of de onderneming
failing or likely to fail is. Daarnaast wordt een schatting gemaakt van de verliezen van crediteuren van die onderneming in de situatie dat ten aanzien van de onderneming op hetzelfde moment faillissement zou zijn uitgesproken. [81]
ex postwaardering plaats. Lid 4 van art. 3a:91 bepaalt dat indien uit de waardering blijkt dat een houder van eigendomsinstrumenten of schuldeiser grotere verliezen heeft geleden dan hij zou hebben geleden in faillissement, DNB een vergoeding toekent ter grootte van het verschil ten laste van de financieringsregeling, bedoeld in art. 3a:138. [83] In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat voor de vraag in hoeverre een recht bestaat op schadeloosstelling (voor schending van het
no creditor worse off than in insolvency-beginsel) een normale rechtsgang openstaat, die aanvangt met een besluit van DNB op grond van art. 3a:91 lid 4, dan wel een weigering van DNB om een dergelijk besluit te nemen. [84]
bestuursrechtelijkerechtsbescherming. [85] Er is geen sprake meer van een rechterlijke toets door de civiele afdeling van de rechtbank Amsterdam. Indien DNB een besluit tot afwikkeling van een verzekeraar neemt (zie art. 3a:85 Wft), kan een belanghebbende daartegen
geenbezwaar maken bij DNB (zie bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht). Wel kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (zie art. 4 van Pro bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht). Daarvoor geldt een verkorte termijn van 10 dagen (art. 3a:135 lid 1 Wft). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelt de zaak op versnelde wijze en doet uitspraak uiterlijk op de veertiende dag nadat het beroepschrift is ontvangen (art. 3a:135 lid 5 en 6 Wft). [86]
Legitiem doel in het algemeen belang
no creditor worse off than in inso
lvency-beginsel (art. 3a:88 Wft) en is er een stelsel van ex ante, periodieke en ex post waarderingen in het leven geroepen. Voor een eventuele schadeloosstelling van bijvoorbeeld aandeelhouders is een procedure bij de bestuursrechter Rotterdam voorgeschreven met beroep op het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De ondernemingskamer is uit de procedure weggevallen (zie randnummer 3.62. van het wettelijk kader).
4.Behandeling van de middelen
A. Het Overdrachtsplan
Overdrachtsplan). De voorwaarden van het Overdrachtsplan zijn uitgewerkt in een eenzijdige verklaring van Trier, de zogenaamde “
confirmation letter to the Dutch Central Bank for the transfer of the shares in Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering “Conservatrix” N. V” (de
Confirmation Letter) (Productie 9).
Confirmation Lettervan Trier, wordt uiteengezet in par. 5 van het verzoekschrift van DNB. In par. 5 gaat DNB in op (a) de afspraken tussen DNB en Trier, (b) de identiteit van de overnemer (Trier), (c) de prijs die Trier bereid is te betalen, (d) de ‘huidige’ aandeelhouder (Conservatrix Groep) en (e) de vraag of de overdracht afwijkt van wettelijke voorschriften of statutaire bepalingen. Deze opsomming – (a) tot en met (e) – correspondeert met de opsomming in art. 3:159r Wft.
ambtshalve, dus niet naar aanleiding van een klacht van Conservatrix Groep, dat de Confirmation Letter niet, althans niet met zoveel woorden, vermeldt waarom de door Trier te betalen prijs wordt geacht een redelijke prijs te zijn. De rechtbank merkt dit op vanwege het vereiste in art. 3:159r aanhef en sub c Wft. De rechtbank acht het niet problematisch dat de Confirmation Letter niet vermeldt waarom de door Trier te betalen prijs wordt geacht een redelijke prijs te zijn, omdat DNB op dat punt ingaat in haar verzoekschrift. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet DNB zo aan de geest van het bepaalde in art. 3:159r Wft.
marginaalmaar
ten vollehad moeten beoordelen of zich een situatie als bedoeld in artikel 3:159c, eerste of tweede lid, Wft voordoet met betrekking tot Conservatrix.
summierlijkblijkt dat zich een situatie als bedoeld in artikel 3:159c, eerste of tweede lid, voordoet’). Ook heeft de rechtbank de wetsgeschiedenis in acht genomen (zie rov. 4.11.4), alsmede art. 3:159v Wft, dat bepaalt dat de rechtbank het verzoek van DNB “met de meeste spoed” behandelt. De rechtbank merkt op (zie de laatste alinea van rov. 4.11.4.) dat ook uit de tekst van art. 3:159v Wft blijkt (“met de meeste spoed”) dat de toetsing van de rechtbank of zich een situatie voordoet als bedoeld in art. 3:159c lid 1 Wft slechts een beperkte kan zijn. Deze redenering van de rechtbank kan ik goed volgen. Zoals hierboven is gebleken (zie randnummer 3.42 van het wettelijk kader), is in de literatuur voor een ruimere toetsing gepleit dan de beperkte toetsing die in art. 3:159ij, lid 1 en art. 3:159v Wft is opgenomen. De wetgever heeft voor een beperkte toetsing gekozen. De rechter dient mijns inziens de keuze van de wetgever voor een beperkte toetsing te respecteren.
, tenzij de Nederlandsche Bank in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 3:159b[thans art. 3:159c]
, eerste lid, zich voordoet[cursivering A-G].
een beperkte toetsvoorstonden. De rechtbank Amsterdam zou alleen hoeven te toetsen of DNB in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat een situatie als bedoeld in art. 3:159c lid 1 Wft zich voordoet.
beperkte, marginale toetsvoor te schrijven. Daarvoor zagen zij twee redenen:
§ 2.6. Verzoek aan de rechtbank
b. De toetsing van de overdrachtsregeling
beperktetoetsing is.
'omvallen'.Anders dan de rechtbank meende, heeft de wetgever deze beoordeling(en) niet opgedragen, c.q. niet voorbehouden, aan DNB. Integendeel, volgens de uit de parlementaire toelichting bij de afdeling 3.5.4A blijkende bedoeling van de wetgever moet de rechtbank bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in art. 3:159c lid 1, op grond van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit c.q. doelmatigheid juist zelf(standig) onderzoeken of de omstandigheden de door DNB geplande
gedwongenaandelenoverdracht kunnen rechtvaardigen waarbij de rechtbank het met deze saneringsmaatregel te dienen algemeen belang moet vaststellen en in de gegeven situatie afwegen tegen de individuele belangen van de probleeminstelling en die van de bij deze financiële onderneming betrokkenen, zoals haar aandeelhouder(s).”
Omnibus II-richtlijn heeft miskend en ten onrechte de
Solvabiliteit II-richtlijn van toepassing heeft geacht. Het onderdeel bevat een inleiding en zeven subonderdelen. De subonderdelen 3.2, 3.3, 3.5 en 3.6 bevatten een deel onder a. en een deel onder b. Onderdeel 3 beslaat de pagina’s 9 tot en met 14 van het verzoekschrift tot cassatie.
Solvabiliteit II) (herschikking) en;
Omnibus II).
Solvabiliteit II-richtlijn wordt ook wel de
Solvency II-richtlijn genoemd.
Onderdeel 3: rechtbank miskent 'Omnibus II'-richtlijn en acht ten onrechte 'Solvency II’ toepasselijk
'Solvabiliteit II’), als zodanig en zonder meer, geheel en onmiddellijk toepassing vindt in gevallen als het onderhavige en dat de bepalingen van deze richtlijn DNB onder de gegeven omstandigheden niet dwingen tot afwijking van de in die richtlijn bepaalde standaardformules (maar vanwege haar beleidsvrijheid daartoe alleen de mogelijkheid biedt), waardoor DNB op grond van deze richtlijn en het daarin voorgeschreven minimumkapitaalvereiste (MCR) en solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR), zoals met ingang van 1 januari 2016 neergelegd in art. 3:53 lid 1 en Pro lid 4 Wft, (in redelijkheid) heeft kunnen oordelen/besluiten dat gezien de solvabiliteit van Conservatrix ook onder de (strengere voorschriften in) richtlijn 'Solvabiliteit II’ sprake is van de in art. 3:159c lid 1 Wft bedoelde situatie, op grond waarvan de door DNB geplande overdracht van de aandelen in Conservatrix aan Trier noodzakelijk was. Althans heeft de rechtbank haar beschikking niet naar de eisen der wet met redenen omkleed om in het licht van hierna te vermelden feiten en verweren van Conservatrix Groep voldoende begrijpelijk te doen zijn.
'Solvabiliteit II'niet met ingang van 1 januari 2016 onmiddellijk toepasselijk zijn. Aan het slot van het subonderdeel wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet ambtshalve heeft geoordeeld, op grond van een redelijke uitleg dan wel op grond van toepassing van voornoemde bepalingen met inachtneming van het doel en de strekking van de
Omnibus II-richtlijn, dat zich in de onderhavige zaak een gelijke situatie voordoet als de situatie waarvoor de Europese wetgever de overgangsmaatregel van voornoemde bepalingen heeft bedoeld.
Solvency II-richtlijn [97] en op art. IV van de Wet implementatie Omnibus II-richtlijn. Conservatrix Groep neemt dus in cassatie voor het eerst de stelling in dat voornoemde bepalingen van toepassing zijn, al dan niet op basis van een redelijke uitleg dan wel naar analogie.
weldat zij zich op het standpunt stelt dat
Solvency IIonnodig streng wordt toegepast door DNB. Met gebruikmaking van een andere waarderingsgrondslag, die meer geëigend zou zijn voor de situatie van Conservatrix, zou er in ieder geval geen sprake zijn van een solvabiliteitstekort, althans niet in de omvang zoals gesteld door DNB. Conservatrix Groep voert aan dat deze andere wijze om de solvabiliteit te betalen past en mogelijk is onder
Solvency II.
Solvency II-richtlijn. [98] Die artikelen hebben echter betrekking op een ander onderwerp dan het onderwerp waarop art. 308 ter Pro van de
Solvency II-richtlijn en art. IV van de Wet implementatie Omnibus II-richtlijn betrekking hebben.
Omnibus II-richtlijn heeft de
Solvency II-richtlijn aangevuld. Art. 2 lid 80 van Pro de
Omnibus II-richtlijn bepaalt het volgende:
Artikel 2
Solvency II, toevoeging A-G]
Solvency II-richtlijn verwijst naar ‘de titels I, II en III van deze richtlijn’. Titel I van de
Solvency II-richtlijn luidt als volgt: ‘Algemene voorschriften inzake de toegang tot en uitoefening van het directe verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf’. Titel II luidt als volgt: ‘Specifieke bepalingen voor verzekering en herverzekering’. Titel III luidt als volgt: ‘Toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep’.
Solvency II-richtlijn (‘onverminderd artikel 12’). Dit artikel bepaalt het volgende:
Artikel 12 Herverzekeringsondernemingen die hun werkzaamheden beëindigen
Solvency II-richtlijn. Titel IV luidt als volgt: ‘Sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen’. Hoofdstuk II luidt als volgt: ‘Saneringsmaatregelen’. Onder saneringsmaatregelen wordt op grond van art. 268 lid 1 onder Pro c) van de
Solvency II-richtlijn verstaan:
en van dien aard zijn dat ze de bestaande rechten van andere partijen dan de verzekeringsonderneming zelf aantasten[cursivering A-G]; daartoe behoren onder meer doch niet uitsluitend maatregelen die opschorting van de betalingen, opschorting van executiemaatregelen of verlaging van de schuldvorderingen kunnen behelzen’
verzekeringnemersdie met die verzekeringsonderneming hebben gecontracteerd en aan eventueel aangewezen begunstigden (bij levensverzekering).
Solvency II-richtlijn (ingevoegd bij art. 2 lid 80 van Pro de
Omnibus II-richtlijn) als volgt geïmplementeerd. Art. IV van de Wet implementatie Omnibus II-richtlijn [99] bepaalt het volgende:
Artikel IV (overgangsrecht)
Solvency II-richtlijn (ingevoegd bij art. 2 lid 80 van Pro de
Omnibus II-richtlijn). Een levensverzekeraar die vóór of op 1 januari 2016
ermee stopten de ondernemingsactiviteiten afwikkelt, hoeft zich niet te houden aan de zwaardere solvabiliteitsregels van de
Solvency II-richtlijn die per die datum gelden. De titels I, II en III van de
Solvency II-richtlijn zijn dan dus niet van toepassing. Er geldt wel een ‘mits’. De levensverzekeraar moet voldoen aan art. 308 ter Pro, eerste lid, onderdeel a) of b), en derde lid, van de
Solvency II-richtlijn. Dit betekent dat de betreffende levensverzekeraar toezichthouder DNB ervan moet hebben ‘verzekerd’ dat zij haar werkzaamheden vóór 1 januari 2019 zal beëindigen
ofonderworpen moet zijn aan een ‘saneringsmaatregel’ in de zin van art. 268 lid 1 onder Pro c) van de
Solvency II-richtlijn. Verder mag de levensverzekeraar geen deel uitmaken van een groep (tenzij alle ondernemingen van de groep ‘ermee stoppen’), moet de levensverzekeraar jaarlijks verslag uitbrengen aan DNB over de vooruitgang die zij heeft geboekt met het beëindigen van haar werkzaamheden en moet de levensverzekeraar DNB in kennis hebben gesteld dat zij de overgangsmaatregelen toepast. Deze laatste drie eisen volgen uit het derde lid van art. 308 ter Pro van de
Solvency II-richtlijn.
Solvency II-richtlijn (de tekst van deze bepaling heb ik hiervoor weergegeven). Ik lees immers het volgende in subonderdeel 3.1:
Solvency II-richtlijn alleen sprake is als de bestaande rechten van andere partijen dan de verzekeringsonderneming zelf erdoor worden aangetast. Van een saneringsmaatregel is dus alleen sprake als er wordt ‘gesaneerd’ in het nadeel van andere partijen. Bij ‘andere partijen’ kan worden gedacht aan schuldeisers of, toegespitst op de onderhavige zaak, verzekerden van de verzekeringsonderneming. Een gedwongen overdracht van aandelen, zoals in deze zaak heeft plaatsgevonden, leidt niet tot aantasting van rechten van schuldeisers of verzekerden. Van een saneringsmaatregel is dus geen sprake geweest. In zoverre faalt het subonderdeel dus (ook) bij gebrek aan feitelijke grondslag.
'Solvabiliteit II'in de gegeven omstandigheden géén toepassing vinden, in aanmerking genomen dat Conservatrix sinds januari 2015 geen verzekeringsproducten meer aanbiedt en nadien aflopende verzekeringsovereenkomsten niet meer verlengde
('run off’)en bij haar een stille curator is aangesteld waardoor zij niet meer ten behoeve van de verzekeringsactiviteiten vrijelijk (eigen) besluiten kon nemen.
Solvency II-richtlijn en in art. IV leden 1 en 2 Wet implementatie Omnibus II-richtlijn.
Solvency II-richtlijn. Het bepaalde onder a) van dat artikellid doet zich in deze zaak ook niet voor, nu Conservatrix Groep juist wil dat Conservatrix als levensverzekeraar blijft bestaan. Nu noch aan a), noch aan b) is voldaan, is de overgangsmaatregel niet van toepassing.
Solvency II-richtlijn. Aan het van toepassing zijn van de overgangsmaatregel gaat dus een kennisgeving vooraf, die moet worden verricht door de onderneming die van de overgangsmaatregel gebruik wil maken. De onderneming in kwestie moet de toezichthoudende autoriteit (van tevoren) laten weten dat zij de overgangsmaatregel toepast. In de onderhavige zaak heeft Conservatrix zo’n kennisgeving niet verricht. Conservatrix Groep doet er dan ook geen beroep op in cassatie. Aan deze voorwaarde voor toepassing van de overgangsmaatregel is dus ook niet voldaan.
ambtshalvetoe te passen.
Solvency II-richtlijn. Dit betekent dat ook de klacht onder b. faalt.
'Solvabiliteit I'en
'Solvabiliteit II'(artt. 103-108; i.h.b. artt. 104 lid 7 en 110) meebrengt dat in gevallen als het onderhavige waarin de verzekeraar goeddeels een NGH-hypotheekportefeuille aanhoudt, voor de beantwoording van de vraag of aan de vereiste solvabiliteit wordt voldaan, bij waardering van de hypotheekportefeuille naar de IFRS bepalende betekenis toekomt aan de NHG als overheidsgarantie, zodat bij de berekening van de solvabiliteit DNB had (kunnen en) behoren rekening te houden met het component van de NHG-garantie.”
Solvency II-richtlijn. Ik kom hier op terug. Eerst zal ik uiteenzetten welke standpunten partijen hebben ingenomen met betrekking tot het onderhavige punt.
Solvency II-richtlijn. Conservatrix Groep bestrijdt dit, in welk verband zij verwijst naar art. 104 lid 7 en Pro art. 110 van Pro de
Solvency II-richtlijn. Uit deze bepalingen volgt volgens Conservatrix Groep dat, wanneer het bijzondere karakter van een verzekeringsonderneming als Conservatrix vereist dat wordt afgeweken van de standaardformules op grond waarvan het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend, het DNB is toegestaan om de solvabiliteit bij Conservatrix te berekenen op basis van parameters die ‘meer eigen’ aan de onderneming zelf zijn. In randnummer 30. staat dat DNB de haar toekomende beleidsvrijheid die haar onder
Solvency IItoekomt bij het hanteren van waarderingsgrondslagen links heeft laten liggen of zelfs heeft verzwegen, terwijl daarmee de inzet van de overdrachtsregeling voorkomen had kunnen worden. Conservatrix Groep vermoedt dat DNB erop uit is om Conservatrix te onteigenen om daarmee haar beleid om de verzekeringsmarkt te consolideren ten uitvoer te brengen.
nietop het marktrisico op grond waarvan het risico van de hypotheekportefeuille wordt vastgesteld. Conservatrix Groep lijkt daarnaast wederom te miskennen dat de waardering van de hypotheekportefeuille en de berekening van de SCR twee verschillende zaken zijn.
Solvency II-richtlijn, toevoeging A-G]. Opgemerkt zij dat het voorgaande niet betekent dat de NHG evenmin bij de waardering van de hypotheekportefeuille mag worden meegenomen. Dat laatste is wel mogelijk en wordt ook door Conservatrix toegepast.
SolvencyII-richtlijn niet. Art. 104 gaat Pro over de opzet van het ‘kernsolvabiliteitsvereiste’. Berekening van het kernsolvabiliteitsvereiste is nodig om te kunnen komen tot het solvabiliteitskapitaalvereiste (zie immers art. 103). In lid 7 staat het volgende:
plichtom binnen een periode van één jaar na intrekking van de vergunning tot de afwikkeling van het verzekeringsbedrijf van de probleeminstelling over te gaan, geen enkele steun vindt in de wet. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar art. 1:104 lid 3 Wft Pro en het voert aan dat dit artikellid een discretionaire bevoegdheid verleent aan DNB als toezichthouder om bij het besluit tot intrekking van de vergunning ook te bepalen dat de financiële onderneming binnen een door DNB te stellen termijn geheel of gedeeltelijk afwikkelt. [107]
nietin rov. 4.14.4. onder a. dat de Wft een periode van één jaar voorschrijft. De rechtbank gaat daarentegen uit “van de vooraankondiging van DNB” (zie de laatste zin van de eerste alinea onder a.). In die vooraankondiging – het gaat om de brief van DNB van 26 oktober 2016 aan de directie van Conservatrix – schrijft DNB dat zij verplicht is de vergunning in te trekken en dat zij, gelet op de aard en de omvang van de portefeuilles en de voorgenomen verkoop daarvan, een afwikkeltermijn van één jaar redelijk acht. Nu de klacht feitelijke grondslag mist, faalt deze.
Kamerstukken II2011/12, 33059, 3, p. 24-25 en
Kamerstukken II2011/12, 33059, 4, p. 6.
en bloc-wijziging van polisvoorwaarden. [108] De rechtbank overweegt dat dit alternatief in de visie van DNB geen reële oplossing biedt omdat dit de rechten van polishouders tot een onaanvaardbaar niveau zou uithollen, ten gunste van een aandeelhouder die zelf niet bereid is om bij te storten.
en bloc-clausule is opgenomen in de verzekeringsvoorwaarden. Op p. 47 staat (onder meer) dat om te kunnen voldoen aan de vereiste solvabiliteitsratio een zeer ingrijpende
en bloc-wijziging noodzakelijk is, waarbij het garantiekapitaal bij het NGP (Natuurlijk Garantieplan, een verzekeringsproduct van Conservatrix) substantieel zal moeten worden verlaagd (in sommige gevallen met bijna 40%).
en bloc-clausule niet als een realistisch alternatief beschouwd. [109] Ik verwijs naar randnummers 4.6 en 4.7 van het verweerschrift van Conservatrix in eerste aanleg. De rechtbank verwerpt onder d. (impliciet) het verweer van Conservatrix Groep. In rov. 4.17. van de beschikking doet de rechtbank dat overigens expliciet:
(i)aan dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is in het licht van het verweer van Conservatrix Groep dat het inroepen van de
en bloc-clausule in art. 21 van Pro de polisvoorwaarden niet zou leiden tot een benadeling van de polishouders van Conservatrix, omdat de clausule deel uitmaakt van de verzekeringsovereenkomst, polishouders rekening moesten houden met de mogelijkheid dat onder bepaalde buitengewone omstandigheden de polisvoorwaarden niet ongewijzigd in stand zouden blijven en de polishouders de mogelijkheid hebben de
en bloc-wijziging te weigeren en hun polis premievrij te maken of te laten afkopen. Aldus is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk dat de rechtbank met DNB het kennelijk eens is dat rechten van polishouders zouden worden ‘uitgehold’.
en bloc-clausules bevatten en ook niet dat polishouders de mogelijkheid hebben de wijziging te weigeren en hun polis premievrij te maken of te laten afkopen. Van benadeling blijft dan immers sprake. De klacht onder
(i)faalt dus.
(ii)aan dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is in het licht van het verweer van Conservatrix Groep dat op de voet van art. 1:75 lid 4 Wft Pro DNB als toezichthouder niet mag ingrijpen in privaatrechtelijke verhoudingen tussen Conservatrix en haar polishouders.
en bloc-clausule.
(iii)aan dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is in het licht van het verweer van Conservatrix Groep dat zij als enig aandeelhouder van Conservatrix zich vastgelegd heeft om gedurende de periode van de
en bloc-wijziging geen aanspraak te zullen maken op dividenduitkering en dat haar winsten zouden worden toegekend aan de statutaire winstreserves. Het subonderdeel verwijst hierbij naar de randnummers 50-52 en 70 van het verweerschrift van Conservatrix Groep.
en bloc-wijziging. Een dergelijk scenario ligt mijns inziens niet voor de hand nu de kans reëel is dat bestaande klanten van Conservatrix weglopen en potentiële nieuwe klanten wegblijven na zo’n eenzijdig opgelegde wijziging van contractuele aanspraken. Bovendien blijft van benadeling van polishouders sprake, ook als Conservatrix Groep afziet van (theoretische) winstuitkeringen.
'as prescribed by law'in de zin van art. 1 EP Pro en 17 GHV).”
en blocclausule niet zonder uitdrukkelijke toestemming van DNB zal worden aangewend. In rov. 4.15.7. oordeelt de rechtbank dat de haar ter beschikking staande informatie haar geen grond geeft voor het oordeel dat de in het overdrachtsplan genoemde prijs, gegeven de omstandigheden van het geval, niet een redelijke prijs is. De rechtbank geeft aan daarbij het toekomstperspectief van Conservatrix in het geval dat het overdrachtsplan niet wordt goedgekeurd, in aanmerking te hebben genomen. In dat geval zal Conservatrix haar levensverzekeringsbedrijf binnen een jaar moeten afwikkelen. Voorts geeft de rechtbank aan in aanmerking te hebben genomen dat weliswaar verschillende andere externe partijen biedingen op Conservatrix hebben uitgebracht, maar dat deze biedingen veelal een voorwaardelijk karakter hadden, niet werden doorgezet, niet steunen op een uitvoerig due diligence onderzoek en/of niet met dezelfde waarborgen voor onder meer de polishouders waren omkleed. Kortom, geen van deze biedingen is voldoende vergelijkbaar met het onderhavige bod (slot rov. 4.15.8.). De rechtbank heeft ten slotte ook acht geslagen op het feit dat DNB ter ondersteunding van de prijs, een rapport van een gerenommeerde deskundige, te weten WTW, heeft overgelegd (rov. 4.15.9.).
Eli), een participatiemaatschappij van [betrokkene 4] (dezelfde persoon die ook betrokken is bij Trier, de huidige overnemer). Op 9 april 2015 tekende Eli een intentieverklaring ten aanzien van de overname van de aandelen in Conservatrix, op 5 juni 2015 gevolgd door een overnameovereenkomst onder opschortende voorwaarden. Toen in december 2015 bleek dat deze voorwaarden niet waren en zouden worden vervuld heeft Eli voorgesteld om de overeenkomst te beëindigen. Conservatrix Groep heeft hiermee ingestemd op 22 december 2015.”
onder dezelfde voorwaardenals het bod van Trier, acht ik onvoldoende uitgewerkt door Conservatrix Groep. Ik leg dit als volgt uit. Onder a. wordt ter onderbouwing van die stelling enkel verwezen naar productie 9 bij het verweerschrift van Conservatrix Groep in eerste aanleg. Productie 9 betreft een
Share Purchase Agreement, gesloten tussen Conservatrix Groep B.V. als verkoper en Eli Global LLC als koper, waarbij [betrokkene 4] de positie van
guarantorheeft. Deze overeenkomst is ondertekend op 5 juni 2015 door [betrokkene 4] en [betrokkene 3] . Uit deze
Share Purchase Agreement, die 35 pagina’s beslaat, kan ik niet opmaken dat hierin dezelfde voorwaarden staan als de voorwaarden die deel uitmaken van het bod van Trier. Dit kan ik ook niet opmaken uit het verweerschrift van Conservatrix Groep in eerste aanleg en evenmin uit de pleitnota van de raadsman van Conservatrix Groep.