Conclusie
€ 5.000.000. In een rechtsoverweging voorafgaand aan het dictum kondigt het hof echter aan dat het de gevorderde dwangsom ambtshalve zal matigen. In genoemd herstelarrest heeft het hof beslist dat in de betreffende rechtsoverweging in plaats van de woorden “ambtshalve matigen” het woord “vaststellen” moet worden gelezen. In cassatie betoogt VGZ dat van een kennelijke fout als bedoeld in art. 31 Rv Pro geen sprake is, zodat het hof met zijn herstelarrest de grenzen van art. 31 Rv Pro heeft overschreden.
1.Feiten en procesverloop
zegge: vijftigduizend euro), althans een door U. E.A. Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of dagdeel dat Gedaagde in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen, zulks
tot een maximum van € 1.000.000,00(
zegge: één miljoen euro), althans een door U E.A. Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen maximum (…)” [onderstreping, A-G];
ambtshalve matigenomdat de hierna bepaalde dwangsommen een voldoende prikkel tot nakomen lijken te zijn.” [onderstreping, A-G]; en
met een maximum van € 5.000.000,00 (zegge: vijf miljoen euro)” [onderstreping, A-G].
gematigd, valt echter te verwachten dat een lagere dwangsom zou worden opgelegd.
2.Bespreking van de cassatieklachten
datde rechter een steekje heeft laten vallen, maar ook
welksteekje dat is. [12] Wanneer niet kan worden gesproken van een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv Pro, is (aansturen op) herstel op de voet van deze bepaling niet mogelijk en is het instellen van een “gewoon” rechtsmiddel de aangewezen weg. [13]
€ 5.000.000. Dat valt niet met elkaar te rijmen.
onderdeel 1.betoogt VGZ dat er geen sprake is van een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv Pro, omdat VGZ en Ciran uiteenlopende verzoeken tot verbetering hebben ingediend, waaruit blijkt dat partijen niet dezelfde vergissing hebben bedoeld. Dat voert VGZ naar de conclusie dat geen sprake is van een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv Pro. Terwijl VGZ haar verbeterverzoek grondt op een fout in het dictum, betoogt Ciran juist dat de fout is te vinden in rov. 5.13.
mogelijkeverklaring is [voor het uiteenlopen van rov. 5.13 en het dictum, A-G], dat het hof aanvankelijk heeft overwogen om een lagere dwangsom op te leggen dan gevorderd, maar op dit voornemen is teruggekomen zonder rechtsoverweging 5.13 hieraan aan te passen” en vervolgens: “
Indien dit al is gebeurd, is dat echter niet kenbaar.” [onderstrepingen toegevoegd, A-G]. Dat komt hierop neer, dat het hof het eindarrest verbetert, omdat het uitgaat van een tekst in rov. 5.13 die
mogelijkafwijkt van de tekst zoals het hof die voor ogen heeft gehad na (uiteindelijke) interne beraadslaging. Zo bekeken is de fout echter niet “kennelijk” nu de interne beraadslaging van het hof niet voor partijen en derden kenbaar is. [14] In de onderhavige zaak waren er dus, zo blijkt uit de uiteenlopende herstelverzoeken van partijen én uit de daarvan weer afwijkende beslissing van het hof in zijn herstelarrest, drie verschillende smaken voor verbetering van het eindarrest, zij het dat de smaak van het hof voor partijen en derden niet kenbaar was. Nu over de wijze waarop de verbetering vorm zou moeten krijgen debat mogelijk is, is van een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv Pro geen sprake.
Onderdeel 1.slaagt derhalve.
gevorderdbestond immers niet alleen uit een (door Ciran aangegeven) bedrag per tijdseenheid, maar ook uit een (opnieuw door Ciran aangegeven) maximumbedrag aan te verbeuren dwangsommen. Het spreekt niet voor zich dat het hof met de door Ciran “gevorderde dwangsom” in rov. 5.13 van het eindarrest enkel de door Ciran
gevorderdehoogte van de dwangsom per tijdseenheid bedoelde en niet (ook?) het door Ciran
gevorderdemaximum. Bovendien is niet duidelijk hoe de zinsnede “omdat de hierna bepaalde
dwangsommeneen voldoende prikkel tot nakomen lijken te zijn” [onderstreping toegevoegd, A-G] uit rov. 5.13 van het eindarrest past in de visie van het hof in het herstelarrest. Die zinsnede duidt immers eerder op het toe te wijzen maximumbedrag aan dwangsommen dan op de vaststelling van de hoogte van het dwangsombedrag per tijdseenheid gezien de door het hof gehanteerde meervoudsvorm van het woord dwangsom. Wat daarvan ook zij, duidelijk is dat discussie mogelijk is over het antwoord op de vraag waarop met “ambtshalve matigen” in de uitspraak wordt gedoeld. Dat duidt er opnieuw op dat geen sprake is van een fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Ook
onderdeel 2.is derhalve gegrond.
onderdeel 4.treft dus doel. Overigens komt mij de overweging van het hof “te meer doordat daarin de dwangsom niet alleen in getal, maar ook in woord is uitgedrukt: het bedrag € 50.000 is daarin uitgeschreven” ook niet juist voor nu het foutloos uitschrijven van een getal in het dictum nog niet uitsluit dat in het dictum een vergissing wordt gemaakt.
onderdeel 3.stelt VGZ dat het oordeel van het hof er met het herstelarrest niet helderder op is geworden, dat het voor de verhoging van het maximum geen enkel aanknopingspunt biedt en dat het hof meer heeft gedaan dan het herstellen van een kennelijke fout; het heeft, aldus VGZ , een mislukte poging gedaan zijn beslissing van een innerlijke tegenstrijdigheid te ontdoen. Daarvoor is art. 31 Rv Pro niet geschreven.