Conclusie
1.Feiten
[A]) een silopark met vijf silo's gerealiseerd op een terrein aan de [a-straat] te [plaats] . Zij heeft daartoe aan de aannemer [B] opdracht gegeven tot de bouw van de vijf silo’s.
[verweerster]) voor de levering en montage van mixers in silo 1 en silo 2. Op 26 maart 2009 volgde een zelfde opdracht voor silo 3.
[eiseressen].
2.Procesverloop
de 80:20-verdeling).
het hof). [verweerster] heeft incidenteel appel ingesteld voor het geval een of meer grieven in het principaal appel slagen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
bestrijdt weliswaar ... tot bewijs kan dienen.”). Met deze overweging heeft het hof te kennen gegeven dat het de bezwaren van [eiseressen] tegen de door de deskundige getrokken conclusie onder ogen heeft gezien, maar alles afwegende van oordeel is dat die conclusie moet worden gevolgd.
maar het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit niet voldoende is voor het bewijs van de voor aansprakelijkheid van [verweerster] vereiste tekortkoming. (…)”
het oorzakelijk verbandniet is aangetoond, het hof in de bestreden overweging heeft geoordeeld dat het bewijs van het bestaan van
een tekortkomingniet is geleverd, wat twee verschillende dingen zijn. Ik denk niet dat het onderdeel aldus een juiste lezing geeft van de bestreden overweging in rov. 3.5.1. Mijns inziens heeft het hof in het midden gelaten of er een tekortkoming van [verweerster] is. Volgens mij heeft het hof geoordeeld dat in het licht van de door [verweerster] aangevoerde verweren niet is komen vaststaan dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, maar dat dit verder in het midden kan blijven omdat het hof – met de rechtbank – van oordeel is dat een veroorzakingskans van 80% onvoldoende is voor het door [eiseressen] te leveren bewijs. De door het subonderdeel gesuggereerde discrepantie tussen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.7 en het oordeel van het hof in de geciteerde overweging van rov. 3.5.1 doet zich niet voor.
Vehof /Helvetia. [9] In die zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof bij de begroting van schade niet was gehouden om dit aan de hand van kanspercentages te specificeren. Schade in de vorm van verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid moet worden vastgesteld door de feitelijke situatie te vergelijken met de hypothetische situatie waarbij het ongeval wordt weggedacht. In haar schriftelijke toelichting betoogt [eiseressen] dat het vaststellen van een kanspercentage als maatstaf een normerende werking kan hebben. Uit de literatuur en uit internationaal heersende opvattingen zou volgen dat een waarschijnlijkheidspercentage van 80% voldoende is om aan te nemen dat het bewijs van het oorzakelijk verband is geleverd.
Vehof/Helvetiahet leerstuk van de kansschade aan de orde was. Deze leer wordt toegepast indien het oorzakelijk verband tussen de normschending en het verlies van de kans kan worden vastgesteld, maar niet duidelijk is wat de omvang van de schade is. Een voorbeeld is het geval van een beroepsfout van een advocaat, waarbij de schade kan worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in de procedure zou hebben gehad. [10] In deze zaak gaat het daarentegen om een geval waarin onzekerheid bestaat over het oorzakelijk verband tussen de normschending en de schade en niet, zoals bij kansschade, om onzekerheid omtrent de omvang van de schade.
Nefalit/ […]uit 2006 dat ging over werkgeversaansprakelijkheid. [12] Onduidelijkheid bestond over het bestaan van een causaal verband tussen de normschending van de werkgever en de ziekte (longkanker) van de werknemer. De oorzaak kon gelegen zijn in de blootstelling aan asbest in de uitoefening van werkzaamheden voor de werkgever, in het rookgedrag van de werknemer of in eventuele externe factoren dan wel een combinatie van factoren. Hoewel een c.s.q.n.-verband tussen normschending en schade niet was aangetoond, kon de werkgever toch worden veroordeeld tot vergoeding van een deel van de schade. De Hoge Raad overweegt (rov. 3.13):
Fortis/ […]. Die zaak betrof de schending van een waarschuwingsplicht van een vermogensbeheerder jegens zijn cliënt. In dat arrest overwoog de Hoge Raad dat aan het loslaten van het vereiste van causaal verband het bezwaar is verbonden dat iemand aansprakelijk kan worden gehouden voor een schade die hij niet, of niet in de door de rechter aangenomen mate, heeft veroorzaakt. Daarom moet het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid met terughoudendheid worden toegepast. De rechter die daartoe besluit dient in zijn motivering te verantwoorden dat de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending, waaronder is begrepen de aard van de door de benadeelde geleden schade, deze toepassing in het concrete geval rechtvaardigen. Anderzijds blijkt uit dit arrest dat de toepassing van proportionele aansprakelijkheid ook gerechtvaardigd kan zijn buiten gevallen van letselschade, en met name als (i) de aansprakelijkheid van de aangesproken partij op zichzelf vaststaat, (ii) er een niet zeer kleine kans bestaat dat het c.s.q.n.-verband tussen de geschonden norm en het nadeel aanwezig is, en (iii) de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending de toepassing van de genoemde regel rechtvaardigen. [13] In de zaak
Fortis/ […]was aan deze voorwaarden niet voldaan.
Nationale Nederlanden/moeder en zoonuit 2012 heeft de Hoge Raad het concept proportionele aansprakelijkheid toegepast op een geval waarin er meerdere mogelijke aansprakelijke daders zijn. De rechter mag de aansprakelijk gestelde persoon veroordelen tot schadevergoeding in evenredigheid met de (in een percentage uitgedrukte) kans dat de schade door zijn normschending is veroorzaakt. [14] Volgens Klaassen blijkt uit dit arrest dat de Hoge Raad onder proportionele aansprakelijkheid “
terdege een aansprakelijkheid naar rato van veroorzakingswaarschijnlijkheid verstaat”. [15] De twijfel die na
Nefakit/ […]in de literatuur daarover bestond, [16] lijkt daarmee weggenomen.
Deloitte/ […]heeft de Hoge Raad benadrukt dat er een onderscheid bestaat tussen het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid en de leer van het verlies van een kans. Proportionele aansprakelijkheid kan een oplossing bieden indien weliswaar schade is geleden, maar niet kan worden vastgesteld of die is veroorzaakt door een normschending, terwijl de leer van de kansschade geëigend is om een oplossing te bieden voor situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of een normschending schade heeft veroorzaakt. [17] Tjong Tjin Tai heeft het verschil tussen beide leerstukken, dat in de literatuur niet geheel onomstreden was, helder toegelicht en verdedigd. Hij merkt onder meer het volgende op: [18]
eerste alineavan rov. 3.6.2.
tweede alineavan rov. 3.6.2.
in concretogeleden schade. Als het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd omdat het niet heeft toegelicht waarom in dit geval de opgetreden zaakschade een argument zou zijn voor het oordeel dat geen ruimte bestaat voor toepassing van proportionele aansprakelijkheid. Dit geldt temeer nu de opgetreden zaakschade juist de schade is waar de door [eiseressen] ingeroepen norm tegen beoogt te beschermen.
onderdeel 5geen bespreking behoeft. Ten overvloede zal ik daar toch op ingaan.
subonderdeel 5.1stelt [eiseressen] dat, om op grond van de beoordeling van de aansprakelijkheidsgrond te kunnen concluderen dat voor toepassing van proportionele aansprakelijkheid geen plaats is, vereist is dat een oordeel over de aansprakelijkheidsgrond wordt gegeven. [20] In
subonderdeel 5.2stelt [eiseressen] dat de rechter verplicht is de zaak te onderzoeken en te beslissen op grond van hetgeen partijen aan hun vordering en verweer ten gronde hebben gelegd en dat er geen ruimte is voor het in het midden laten van vorderingsgrondslagen. Kort gezegd klaagt [eiseressen] dat het hof een en ander heeft miskend.
niet relevantis. Het hof kon in het midden laten of [verweerster] in de door [eiseressen] bedoelde zin toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen, omdat er blijkens het vervolg van rov. 3.6.2 al andere redenen waren om toepassing van proportionele aansprakelijkheid van de hand te wijzen (zie hierna, de bespreking van de onderdelen 8, 9 en 10).
Nefalit/ […]heeft de Hoge Raad overwogen dat het in het algemeen voor de hand ligt dat de rechter de vordering afwijst als de kans zeer klein is dat de schade is veroorzaakt door een normschending en dat de rechter de vordering zal toewijzen als deze kans zeer groot is. In het arrest
Fortis/ […]heeft de Hoge Raad voor de toepassing van proportionele aansprakelijkheid onder meer van belang geacht dat een niet zeer kleine kans bestaat dat het c.s.q.n.-verband tussen de geschonden norm en de geleden schade aanwezig is: “
Ten aanzien van de tussen die beide uitersten gelegen gevallen kan ruimte bestaan voor toepassing van proportionele aansprakelijkheid.” [22] In tegenstelling tot hetgeen onderdeel 6 aanvoert, heeft het hof het voorgaande niet miskend. Het heeft immers de vordering niet zonder meer afgewezen, maar is overgegaan tot de beoordeling van de vraag of plaats is voor toepassing van het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid. Het hof behoefde in dat kader niet nader in te gaan op het argument dat de kans op causaal verband met 80 % ‘zeer aanzienlijk’ is.
subonderdeel 10.1is de zojuist genoemde aanname gebaseerd op de dienovereenkomstige stelling van [verweerster] die zij in haar memorie van antwoord naar voren heeft gebracht. Het hof had deze stelling niet aan zijn beoordeling ten grondslag hebben mogen leggen zonder [eiseressen] in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.
Fortis/ […]benadrukt dat uitsluitend ruimte is voor toepassing van de voormelde regel in uitzonderlijke – van geval tot geval te beoordelen – omstandigheden. [27]
medein aanmerking genomen dat [eiseressen] een professionele partij is, waarvan kan worden aangenomen dat zij is verzekerd tegen schade zoals de onderhavige. Anders dan [eiseressen] tot uitgangspunt neemt, betekent het voorgaande niet dat het oordeel anders moet luiden als [eiseressen] in het onderhavige geval niet tegen de door haar geleden schade is verzekerd. Het gaat er bij de beoordeling omtrent de toepassing van proportionele aansprakelijkheid immers om dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. De bedrijfseconomische keuze om zich als grote professionele partij niet te verzekeren tegen risico’s als die zich in deze zaak hebben verwezenlijkt kan niet worden aangemerkt als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid die het toepassen van proportionele aansprakelijkheid rechtvaardigt. De klachten tegen de aanname van het hof dat [eiseressen] is verzekerd, missen derhalve belang.