Conclusie
Grief IV – reikwijdte bewijsopdracht (I)
Inhoud Grief IV
Toelichting Grief IV
op de hoogte wasvan de verkoop van restproducten voor eigen gewin en deze handelswijze jaren
gedoogde. In het dictum van het tussenvonnis wordt de bewijsopdracht overigens zelfs beperkt tot het gedoogbeleid.
te horen hebben gekregendat zij oud ijzer mochten verkopen alsmede in hoeverre iemand van hen ooit met een directielid daarover heeft
gesproken. Hoewel aldus de bewijsopdracht zag op de wetenschap en het gedogen van de directie, is deze maatstaf vervolgens bij eindvonnis verruimd naar een al dan niet verleende toestemming vanuit de directie. Dit voert vanzelfsprekend veel verder dan de bewijsopdracht. Voor wetenschap c.q. gedoogbeleid is voldoende dat men het wist, maar daartegen geen actie ondernam. Voor toestemming is vereist dat men expliciet heeft aangegeven dat het is toegestaan.
“ook geen specifieke toestemming in bepaalde gevallen”was verleend, is uiteindelijk geoordeeld dat [eiser] niet is geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen bewijs (rechtsoverweging 2.5, zie ook hierna). Gezien het voorgaande meent [eiser] evenwel dat dit een onjuiste conclusie is nu de kantonrechter bij deze beoordeling is uitgegaan van een veel verdergaande maatstaf dan is bedoeld (‘toestemming in plaats van wetenschap/gedogen’).
“Het was al jaren toegestaan”). [betrokkene 3] (
“Het werd gedoogd dat er oud ijzer door werknemers weg werd gebracht naar ijzerhandelaren en dat de opbrengst door de werknemers zelf werd gehouden”). [eiser] (
“Het is altijd toegestaan”) en [betrokkene 6] (
“Ik wist dat het toegestaan was”) hebben tijdens de getuigenverhoren stuk voor stuk verklaard dat er sprake was van een gedoogbeleid binnen [verweerster] ten aanzien van het wegbrengen van restmateriaal voor eigen gewin.
Grief V – reikwijdte bewijsopdracht (II)
Inhoud Grief V
Toelichting Grief V
toegezegddat zij met mate oud ijzer voor eigen gewin mochten verkopen. In plaats daarvan is van belang in hoeverre [betrokkene 4] ervan op de hoogte was dat zulks gebeurde. Hoewel [betrokkene 4] in zijn verklaring heeft aangegeven pas in juli 2013 erachter te zijn gekomen dat oud ijzer weleens werd verkocht aan handelaren, acht [eiser] dit ongeloofwaardig in het licht van de verklaringen van onder meer [betrokkene 5], [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 6].
Grief VI – dringende reden (I)
Inhoud Grief VI
Toelichting Grief VI
voor eigen gewin, dus met behoud van de opbrengst voor zichzelf, verkochten. De financieel directeur verklaart ook geen weet te hebben gehad van het vispotje, maar dat dit er was wordt wel bevestigd door de algemeen directeur en door de getuige [betrokkene 5]. Echter, zowel de getuige [betrokkene 4] als ook de getuige [betrokkene 5] verklaren dat de opbrengsten van verkocht ijzer of aluminium werden afgedragen om vanuit een gezamenlijke pot enkele keren per jaar de verjaardagen van de medewerkers te vieren. Uit geen van de verklaringen van deze getuigen, die gezamenlijk de directie van [verweerster] vormden, volgt dat de directie vóór juli 2013 op de hoogte is geweest van het feit dat medewerkers van [verweerster] materialen verkochten aan handelaren in oude metalen en de opbrengsten daarvan voor zichzelf behielden. De getuige [betrokkene 4] verklaart dat hij zich niet kan herinneren, maar zich ook niet kan voorstellen, dat hij hiervoor ooit toestemming aan medewerkers zou hebben verleend.
2.Bespreking van het cassatieberoep
subonderdeel 1aheeft het hof in rov. 3.9.2 en 3.9.6 een onjuiste, want te beperkte maatstaf gehanteerd voor wat als gedogen heeft te gelden. Door in rov. 3.9.2 voorop te stellen dat daarvoor in de eerste plaats moet vaststaan dat de directie van [verweerster] op de hoogte was van de gewraakte praktijk van haar werknemers, is sprake van een rechts-, danwel motiveringsgebrek. Wetenschap bij de directie is volgens door het subonderdeel aangehaalde rechtspraak [7] een te strikte eis. Het kan ook zijn dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat de werknemer mocht aannemen dat bepaalde handelingen, ondanks formele onrechtmatigheid, toelaatbaar waren of onbestraft zouden blijven. De klacht plaatst dit in de sleutel van het bestaan van een “gedoogbeleid, gedoogcultuur of algemene praktijk” dat monteurs bepaald restmateriaal ten eigen bate verkochten, waartegen niet werd opgetreden. Voor gedogen is volgens de klacht niet per se noodzakelijk dat de directie weet van wantoestanden op de werkvloer. Met name trekt de klacht een parallel met de in de uitspraak van Hof Den Bosch [8] bedoelde “algemene praktijk” dat monteurs bepaald afval ten eigen bate verkochten, waar [eiser] zich op zou hebben beroepen volgens de klacht. Zodoende zijn de grieven IV en V ten onrechte verworpen, althans had dit beter moeten worden gemotiveerd. Het kan ook zijn dat (een aantal) leidinggevenden niet zijnde directieleden op de hoogte waren; wetenschap van de directie is dan een te strenge eis. Het hof heeft zodoende miskend dat ook in dergelijke gevallen sprake kan zijn van een situatie dat de verweten gedragingen geen dringende reden opleveren volgens artikel 7:678 lid Pro 1 (oud) BW. Een dergelijke benadering strookt met de bij ontslag op staande voet te hanteren maatstaf dat alle omstandigheden van het geval door de rechter moeten worden meegewogen.
van de directie, bevreemdt niet.
kanzijn van een situatie dat de verweten gedragingen geen dringende reden opleveren voor ontslag op staande voet – wat daar verder inhoudelijk van zij. Rov. 3.9.1-3.9.5 behandelen grieven IV en V en gaan alleen over de vraag of het oordeel van de kantonrechter, dat [eiser] niet was geslaagd in het aan hem opdragen bewijs ten aanzien van het gedoogbeleid, in hoger beroep stand houdt. In rov. 3.9.6 wordt in dat voetspoor ook het daarop voortbouwende deel uit grief VI verworpen. Onjuist is, zoals de klacht aanvoert, dat hierin besloten ligt dat het hof heeft miskend dat in andere gevallen uit feiten en omstandigheden kan blijken dat een werknemer mocht aannemen dat bepaalde handelingen, ondanks formele onrechtmatigheid, toelaatbaar waren of onbestraft zouden blijven. De feitenrechters komen in onze zaak nu juist na beoordeling van uitvoerige (getuigen)bewijslevering tot de conclusie dat er van zo’n “algemene praktijk” van door de vingers zien van verkoop van oud ijzer en dergelijke voor eigen gewin bij [verweerster] geen sprake was (los van de “vispot”, wat op de keper beschouwd iets anders is, namelijk juist niet voor eigen gewin, maar verkoop ten bate van gezamenlijke verjaardagvieringen van het personeel). Integendeel. In rov. 3.13 (in cassatie onbestreden) leidt het hof uit de “vispot” juist een bevestiging af van een gedeeld besef binnen [verweerster] dat verkoop van restmateriaal een inkomstenbron was voor [verweerster] , waarvan de vruchten behoorden te worden afgedragen. De parallel met de in de klacht bedoelde lagere rechtspraak, en met name met het arrest van Hof Den Bosch uit 2007, waar zwaar op wordt geleund, gaat dan ook mank. In het midden kan dan blijven of er in die uitspraak van Hof Den Bosch sprake is van het onderscheiden van de begrippen “gedoogbeleid”, “gedoogcultuur” en “algemene praktijk”, of dat die qua betekenis op één lijn liggen (zoals de procesinleiding op p. 5, 2e en 3e volle alinea nog aankaart [10] ).
gedoogcultuur, als subsidiair op een daar bestaand
algemeen gebruikdat restmateriaal ten eigen bate mocht worden verkocht, mist ook feitelijke grondslag. Het hof heeft kennelijk in het gehanteerde woordgebruik bij grieven onder 51 en 52 (hiervoor weergegeven in 1.18) geen onderscheid gelezen tussen “gedoog
beleid” enerzijds in mvg 51 en 52 en “gedoog
cultuur, althans een vrij algemeen gebruik” verderop in mvg 52. Uitleg daarvan is aan het hof voorbehouden, die de laatste frase uit mvg 52, dat voortborduurt op mvg 51, kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft opgevat als synoniem voor “gedoogbeleid” en hierin klaarblijkelijk geen separate subsidiaire grief heeft gezien als in de eerste klacht van het subonderdeel betoogd [13] .