Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3223644 CV EXPL 14-4209)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met wijziging van eis en met drie producties, genummerd 2, 3 en 4;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
ECLI:NL:HR:2016:290.
voor eigen gewin,dus met behoud van de opbrengst voor zichzelf, verkochten. De financieel directeur verklaart ook geen weet te hebben gehad van het vispotje, maar dat dit er was wordt wel bevestigd door de algemeen directeur en door de getuige [manager] . Echter, zowel de getuige [algemeen directeur] als ook de getuige [manager] verklaren dat de opbrengsten van verkocht ijzer of aluminium werden afgedragen om vanuit een gezamenlijke pot enkele keren per jaar de verjaardagen van de medewerkers te vieren. Uit geen van de verklaringen van deze getuigen, die gezamenlijk de directie van [geïntimeerde] vormden, volgt dat de directie vóór juli 2013 op de hoogte is geweest van het feit dat medewerkers van [geïntimeerde] materialen verkochten aan handelaren in oude metalen en de opbrengsten daarvan voor zichzelf behielden. De getuige [algemeen directeur] verklaart dat hij zich niet kan herinneren, maar zich ook niet kan voorstellen, dat hij hiervoor ooit toestemming aan medewerkers zou hebben verleend.